Posts tonen met het label emigreren. Alle posts tonen
Posts tonen met het label emigreren. Alle posts tonen

woensdag 10 maart 2021

Geëmigreerd en 15 jaar verder, waar sta ik nu? Tijd voor zelf-reflexie… (1)

 Vanochtend vond ik een mail in m’n mailbox die m’n aandacht trok.

De afzender was een vrouwelijke businesscoach die ik volg op Linkedin, ik vind haar een fijn mens, warm, hartelijk, spiritueel  en ook zakelijk en overtuigend!
Aan die eerste beschrijvingen kan ik mezelf wel spiegelen, maar bij  zakelijk en overtuigend wordt het beeld troebel, daaraan ontbreekt het mij al een behoorlijke tijd, vind ikzelf.
De titel van de mail was :  Je kunt de ander niet verder brengen dan je zelf bent.
Die zin triggerde me. Eigenlijk verwoordde zij hiermee het antwoord op de kern van mijn zoektocht.

Een zoektocht, via een zelfgekozen pad, dat een dwaalspoor leek te zijn en nu al zo’n 15 jaar duurt.  
Toen ik eraan begon was ik vol enthousiasme en wilde ik andere mensen graag meenemen op mijn pad,  een gids zijn, gebruikmakend  van mijn Tarotkaarten en de prachtige natuur. Maar al vrij snel raakte ik zelf de weg kwijt.
Inmiddels ben ik vele ervaringen  en inzichten verder en sta ik op het punt om weer bij “af” te beginnen…  Terug  bij de start  van het pad dat ik ingeslagen was…  Ik heb mijn opleiding tot Hypnotherapeut bijna afgerond, ik kan een eigen praktijk beginnen, of nog spannender: een centrum voor levenskunst.
Ik woon nog steeds in die prachtige natuur, Henk is inmiddels met pensioen, dus nu is het echt de tijd om aan “mijn deel” te beginnen, vol passie en levenslust, net zoals ik van plan was toen we naar Frankrijk verhuisden, ik raakte de weg kwijt, maar daardoor is mijn landkaart nu wel behoorlijk uitgebreid…

En toch merk ik dat ik het starten nog steeds voor me uitschuif… diep van binnen aarzel ik nog.
“ Wat houdt me dan tegen?” is een vraag die me heel erg bezighoudt de laatste weken, vandaar dat die mail me triggerde. Tijd voor zelf-reflexie en misschien het allerbelangrijkste: het afsluiten van een periode!
De periode die eigenlijk begon na het laatste hoofdstuk van mijn tweede boek.  

Toen Henk en ik naar Frankrijk verhuisden was ons doel om een centrum voor muziek én levenskunst te beginnen.
Henk de muziek, ik de levenskunst. We begonnen met de muziek en als dat op de rails was zou ik aan mijn deel beginnen.
Ik was tot dan toe altijd al bezig geweest met me te verdiepen in spiritualiteit, de mens en het leven. Maatschappelijk werk gestudeerd, me bezig gehouden met natuurgeneeswijzen, massage, astrologie en de Tarotkaarten natuurlijk. Voor ik Henk ontmoette was ik alleenstaande moeder, had aan mezelf gewerkt en veel geleerd door middel van Gestallt-therapie en door alles wat ik tot dan toe had meegemaakt in mijn leven. 

Ik zag problemen dan ook voornamelijk als mogelijkheden tot groei en wijsheid. Aanpakken en lef hebben daar ging het om! Vooral niet blijven hangen in je problemen!
In mijn werk als waarzegster ging het door mijn positieve instelling dan ook hartstikke goed. Ik had veel succes. Toen ik Henk ontmoette was voor mij m’n levensvervulling compleet,  ik liep tegen de veertig en was vol zelfvertrouwen en vooral gelukkig. Dus toen we begonnen te dromen over Frankrijk dacht ik meteen aan de mogelijkheid om mijn geluk en inzichten te delen met anderen.

We begonnen met de muziek omdat Henk al zoveel ervaring had in workshops geven dus hij zou direct aan de slag kunnen. We hadden een oud hotel opgeknapt en er een zeer sfeervolle  Résidence d’artistes, met café  van gemaakt. Vrienden en familie waren blij voor ons en zagen misschien wel wat hobbels op de weg, maar door ons enthousiasme zagen ze onze plannen toch wel zitten. Nou voor ons was het duidelijk : dit kon niet anders dan een succes worden !
Menselijk en creatief gezien was het dat ook. We hebben zoveel mooie en ontroerende ontmoetingen gehad en veel vrienden gemaakt! Genoten van alle muziek en blije mensen.
Ook in de omgeving werden we goed ontvangen. Het office du tourisme maakte een video over ons om ons gebied cultureel  te promoten.  We verschenen regelmatig in een artikel in de krant en kregen zelfs een ‘eigen kopje’  op de activiteiten pagina van de regio. 

Er was alleen één grote ‘maar’….. we konden er niet van leven, sterker nog we bouwden alleen maar schulden op. Dat lag voor een groot deel buiten ons, het was bankencrisis, de mensen hadden geen geld, we zaten verstopt à la campagne, ver van de stad, ver van Nederland. Maar ook wij hadden ons aandeel in onze crisis: we waren meer idealistisch dan commercieel vaardig. We zaten door overmoedige inschatting van onze toekomstige inkomsten in het zwaarste sociale lastenregime waardoor we meer moesten betalen dan dat we verdienden.  
De geldzorgen werden op den duur te groot, we sliepen steeds slechter, we ploeterden, we stortten in en krabbelden weer op, soms stroomden de tranen.
Met name van teleurstelling! We hadden zo’n mooie plek gecreëerd en we deden zo ons best.


Henk had met het café nog zijn eigen speeltuin, een podium dat altijd speelklaar stond, hij vond het heerlijk om daar te zijn. Maar ik kreeg steeds grotere weerzin om er heen gaan. Ik werd niet meer blij van de mensen die zeiden dat ze ons café en de muziek zo fijn vonden.  Innerlijk  werd ik alleen maar steeds bozer op de klanten die niets verteerden, die de hele middag zaten op één biertje. Ik was zo teleurgesteld! Iedereen vond het leuk bij ons, mensen genoten van de muziek, maar geld uitgeven ho maar! Ik vatte het ook te persoonlijk op.  “Die mensen weten toch dat wij hiervan moeten leven! Als ze het hier zo leuk vinden waarom verteren ze dan niet wat meer!” klaagde ik hartgrondig tegen Henk.

Op een dag zei Henk: “Lies, jij zou toch jouw centrum beginnen? Ga daar dan mee aan de slag!”
“Hoe kan ik dat nou nog doen?  Ik geloof er niet meer in!” riep ik stampvoetend uit terwijl de tranen over mijn wangen biggelden.
Ik was wanhopig, verdrietig en boos. ik voelde me bekocht door het leven! Alles had erop gewezen dat we er goed aan hadden gedaan om deze stap te zetten en op het moment dat we onze deuren hadden geopend begon de tegenslag in te treden. Mijn hele spirituele positieve visie op het leven lag aan diggelen.
En dat was nog maar het begin…. Het zou nog erger worden, want ook mijn zelfvertrouwen zou het nog zwaar te verduren krijgen ….

donderdag 17 januari 2019

Enge stinkbeesten

De ochtend is vandaag begonnen met een zonnetje dat gezellig door de ramen naar binnen schijnt. Na dagen van mist, kou en motregen is dit een geschenkje uit de hemel en goedgemutst ga ik m’n werkkamer in om aan de Franse les te beginnen.
Op het moment dat ik mijn handen op het toetsenbord wil plaatsen om het computerwachtwoord in te typen deins ik van schrik achteruit, “Getver!” roep ik geïrriteerd uit richting de keuken onder mij, “Henk, er zit wéér zo’n beest!
En ook nog precies op mijn toetsenbord, het lijkt wel of ie het erom doet!”
Er gaat een rilling over m’n rug en gruwelend sta ik op om in de wc een stukje toiletpapier te halen waarmee ik het beest tussen m’n vingers kan vermorzelen.

 Gelukkig is het nu januari, winter en zijn ze zo sloom dat je ze zo kunt pakken. Een werkje van niets, waar ik inmiddels zo geroutineerd in ben geworden dat mijn aan paniek grenzende reactie een beetje ‘overdone’ kan overkomen. Wat kan zo’n klein beestje nou voor kwaad doen, zeker als je het zo kan oppakken en verwijderen?
Nou voor mij is het beestje in mijn fantasie uitgegroeid tot ‘een eng monster’ ; een ‘vies kwaad’ van twee cm lang met sprieten dat al bijna niet meer weg te denken is uit ons huishouden.
En daar zit dan ook direct de reden van mijn paniek. Oh, ik ben zo bang dat we er nooit meer vanaf komen! En dat ik daar reden voor heb is wel duidelijk gezien het feit dat er vandaag dus, ondanks de winter, toch weer één op mijn bureau zit. Ze zouden nu toch gewoon dood, of met hun winterslaap bezig moeten zijn.

Twee jaar geleden kwamen ze voor het eerst ons huis en ons bewustzijn binnenkruipen. Of eigenlijk al wel een paar jaar eerder toen we er enkelen op onze zolder aantroffen. We hadden geen idee wat het voor beestjes waren, even twijfelden we of het de voor het huis gevaarlijke boktorren zouden zijn. Gelukkig waren deze dood en wij hadden genoeg aan ons hoofd dus lieten we het erbij, dood konden ze in  ieder niet veel kwaad meer aanrichten.
Maar twee jaar geleden dus, waren ze ineens  in levende lijve aanwezig.
Het was rond oktober.
In eerste instantie was het een enkeling die tegen het raam zat.  Het was ook alleen maar op de tweede verdieping, onze slaapetage.  Ook toen waren ze sloom dus we konden ze voorzichtig met een papiertje naar buiten schuiven.
Maar in de weken die volgden werden het er toch iets meer. Benieuwd en ook wel bang dat het de gevreesde boktorren zouden zijn, maakte ik een foto van het beestje en ging ik op internet speuren wat voor soort het was.
Het bleken geen torren maar wantsen te zijn, de bladpootwants wel te verstaan.
Heel veel kon ik niet over de beestjes vinden behalve dan dat ze nog niet zolang in Europa aanwezig zijn.
Rond 2006 werden ze voor het eerst gesignaleerd ergens in Italie geloof ik. Ze komen uit Noord-Amerika. Leven in naaldbossen, waar ze zich voeden met het sap uit dennenappels, ze zijn niet agressief, bijten of steken niet en zijn dus onschadelijk voor de mens.
 Het enige minpuntje wat ze hebben is dat ze graag in een beschutte omgeving willen overwinteren, in huis bijvoorbeeld. Aangezien de halve Auvergne bedekt is met dennenbomen en wij er midden tussenin wonen is het dus niet zo vreemd dat het beestje ons huis inmiddels ook gevonden heeft.

In eerste instantie was ik opgelucht, hoewel ik na wat verder speuren op youtube toch wel verontrustende filmpjes tegenkwam. Er was één filmpje waar in Amerika, een huis  midden in een bos  getoond werd dat aan de buitenkant ‘zwart’ zag van die beestjes die allemaal naar binnen wilden. ‘Stinkbugs’ worden ze daar genoemd. Nou daar waren wij ook al achter: die beesten verspreiden een geur op het moment dat ze zich in gevaar wanen, op zich voor het beestje geen slechte reactie. Maar ze doen het ook als je ze doodknijpt en dat zou toch niet nodig zijn.
In het begin vond ik het nog niet echt stinken, een soort lucht van ‘groene appeltjes’ , maar er zit toch een ranzig randje aan die geur. Bij de één is dat sterker dan bij de ander en naar mate ik er steeds meer in huis tegenkwam hoe smeriger ik het vond worden. Toch wel wat ongerust door het filmpje en de hoeveelheid beestjes in onze slaapkamer waren we begonnen om ze toch gewoon te killen, gewoon met papiertje in de hand , want opstofzuigen durfde ik niet, veel te bang dat ze dan weer die zak uit zouden kruipen.
Maar dat was twee nazomers geleden.

Afgelopen najaar begon het allemaal anders. Veel vroeger in het jaar, eind augustus vlogen de eersten binnen.
Het was nog warm buiten dus alle ramen van onze slaapkamer stonden uitnodigend open. Als het nog warm is zijn ze blijkbaar veel actiever en doordat ze heel goed kunnen vliegen hopten ze vlijtig onze slaapkamer door.
De ellende begon.
De ramen gingen natuurlijk dicht! Maar nu hebben wij zo’n oud niet geïsoleerd huis dus daar lieten ze zich niet door weerhouden. Elke dag wisten toch wel minstens zo’n dertig beestjes zich door de raamkozijnen heen te wurmen. Voordat we gingen slapen moesten Henk of ik eerst op wantsenjacht. En wat een stank gaf dat! En de ramen moesten potdicht blijven natuurlijk.
Als ik al een raam opende dan vielen er zo een clubje van zes, acht of tien samengeklitte wantsen de kamer in en dan moest ik snel zijn om ze allemaal te pakken te krijgen.

Hier ontstond mijn gruwelfobie voor die krengen.
Overdag ging dat dan nog wel maar ’s nachts was een ramp want in tegenstelling tot vorig jaar was  deze lichting heel avontuurlijk. Ondanks mijn gespeur voor het naar bed gaan, wisten er zich toch altijd wel één of twee aan mijn aandacht of mijn grijphandjes te ontsnappen.
Hoe vaak was het niet dat ik in paniek opsprong uit bed. “oh… ik ruik zo’n beest!”
“Oh, Lies, laat toch gaan,” zuchtte Henk menigmaal naast me. “Ze zijn er nou eenmaal, maar ze doen toch niets? Je kunt wel aan de gang blijven!”
“Laten gaan? NOOIT!”, kreeg hij dan weer de wind van voren terwijl ik de dekens omhoog hield en mijn ogen centimeter voor centimeter het bed afzochten.
En ja hoor daar zat ie dan, naast m’n kussen bijvoorbeeld. Ik kreeg er wat van, bij elk beweginkje rondom mijn kussen zat ik weer rechtop in bed.
Ik raakte er steeds meer door geobsedeerd want inmiddels waren ze niet meer alleen in de slaapkamer te vinden, overal door het huis heen kwam ik ze tegen. Bang om ze dan ’s avonds weer bij ons bed aan te treffen greep ik weer naar een wc rol die inmiddels overal verspreid door het huis lagen.

Rond eind september begon het ook buiten een probleem te worden. Op een dag ontdekte ik er één in het wasgoed dat lekker fris en schoon aan de waslijn hing. Ik was al halverwege met afhalen toen ik die ene dus in een t-shirt zag zitten. De schrik sloeg me om het hart! Oh god, als ze ook maar niet in de rest zitten… en ja hoor! Gemiddeld twee per kledingstuk, goed verscholen in broekspijpen, mouwen en andere beschutte plekjes.
Gelukkig had ik ze onderschept, maar de lol aan het wassen, zo’n beetje het enige huishoudelijke karweitje wat ik echt leuk vind, werd hier in één klap door verpest!
Ik kon het werkje ook niet aan Henk overdragen, want die inspecteerde niet nauwkeurig genoeg naar mijn mening en hiermee was het dus echt mijn probleem.
Ergens begin oktober, waren ze gedurende enkele dagen bijzonder frivool, ze vlogen in grote getale heen en weer in de tuin, tussen de bomen en het huis. Op mijn lievelingsplekje onder de lindeboom, naast de coniferenheg  vlogen ze zelfs tegen je aan en bleven dan haken in je kleding. Buiten was er geen lol meer aan.

Gelukkig moest ik voor mijn NLP opleiding een week naar Avignon, dus zou ik even rust krijgen. Maar zelfs daar achtervolgden ze me. Op de dag van vertrek ging ik ons camperbusje inruimen en toen zag ik ze… op de kussens van het bed. Wat stom dat ik daar niet aan gedacht had!
“Oh Henk, nu zitten ze ook nog hier in!”jammerde ik zielig en boos, “ik word er gek van! Oh en ik moet zo vertrekken om op tijd bij de camping aan te komen! Wat een gezeik! Kutbeesten!!” schreeuwde ik hartgrondig.
Geduldig hielp Henk me alles uit de bus te slepen en uit te kloppen. Wat moesten we anders.
 Wat later dan gepland, enigszins gerustgesteld vertrok ik naar het zuiden. Daar onder de platanen was van een bladpootwants geen spoor te bekennen. Behalve dan die vijf die toch nog tussen de kieren van de auto met me meegelift waren.
Bij thuiskomst was de situatie nog steeds hetzelfde. Een voor logés bedoelde caravan in onze tuin zat helemaal vol met die beesten. We zouden bezoek krijgen en Henk was een dag bezig  om de hele caravan leeg te halen en alles van boven tot onder te stofzuigen, dat moest wel zo want met het papiertjes doodknijpen was een onbegonnen werk. En steeds als hij dacht dat hij ze allemaal had, kwamen er weer enkelen tevoorschijn.

En nu is het winter en sinds het echt koud werd zien we ze niet meer. Voorzichtig hebben wij boven de ramen weer op een kiertje open.
Einde wantsenverhaal voor dit jaar! We hebben de herfst overleefd met die beesten.
Veel ongemak, maar we konden ons huis deze winter uiteindelijk met veel gedoe toch een soort ‘wantsenvrij’ houden, daar ben ik heel blij om!
Volgend jaar gaan we het anders aanpakken. Henk is van plan om voor alle ramen op de slaapverdieping horren te maken.  Dan kunnen we in ieder geval wel rustig slapen en frisse lucht binnen laten.

Maar ik ben bang!
Want vandaag, een wat minder koude winterdag met een zonnetje zaten er toch weer een paar binnen. Daarbij deden we vorige week nog een andere heel vervelende ‘wants ontdekking’.
Na een hele lange tijd niet meer op zolder te zijn geweest  wilde ik er iets gaan halen. Nietsvermoedend deed ik de deur naar zolder open. De ‘appeltjeslucht’ kwam me tegemoet en daar lagen ze, op de trap… honderden dode wantsen.
De eerste treden heb ik opgeveegd maar het was eind van de middag en omdat het donker werd staakte ik het werkje en deed de deur dicht. Sindsdien durf ik het niet meer onder ogen te komen, ik ben er zo vies van!
We hebben een pannendak zonder isolatie, dus ze zijn blijkbaar overal doorheen komen.

Henk die inmiddels wel op zolder is geweest zegt dat er duizenden liggen en allemaal dood.
En dat is gek, vind ik. Waarom moeten ze zo massaal binnenkomen om te overwinteren als ze toch doodgaan?

Internet biedt geen uitkomst. Er wordt zo weinig over die beesten geschreven.
Over de situatie hier in Frankrijk kan ik niets vinden.
Blijkbaar vindt niemand het nodig om een alarmbel te laten rinkelen. Ik heb het hier in de buurt nagevraagd. Er zijn zeker mensen die er ook last van hebben maar men doet toch wat laconiek over die punaises, zoals ze die hier noemen.
Een paar Nederlandse natuurfreaks die het blijkbaar ook opgevallen is dat er in Nederland bladpootwantsen rondvliegen, melden er iets over op hun blog.
Ze spreken over ‘enkelen’ , en vooral over het feit dat het beestje onschuldig is.
Nadrukkelijk zijn er een aantal voor die beestjes op de bres gesprongen door erop te hameren dat je ze gewoon moet laten leven. Als je er last van hebt zet je het exemplaar gewoon buiten.

Nou bij mij gaan ze eraan!
Ik walg van die beesten. Wij hebben er last van!
Dit heeft niets meer te maken met een beestje buiten zetten. Wij kunnen toch echt spreken van een plaag!
Ik vrees voor de toekomst, we kunnen moeilijk die beesten met bestrijdingsmiddelen gaan te lijf gaan.
Hele bossen benevelen, dat is geen oplossing en zou ik niet willen!
Maar zover ik het nu kan vinden op internet, heeft de bladpootwants geen noemenswaardige natuurlijke vijand. Ik hoop nog dat de vorst iets voor ons kan doen, maar ja met die opwarming van de aarde ben ik bang dat we weinig kans maken.

 Hoe gaat dit aflopen?
Alhoewel ik geen idee heb op wat voor manier,  voorzie ik een ramp!
Ineens moet ik aan de bijbel denken. Daar stond toch ook iets over insectenplagen? Waren het geen sprinkhanen?  De strekking van het verhaal mag ik even kwijt wezen maar volgens mij zat er een bedoeling achter. Misschien moet ik het toch eens opzoeken. 

woensdag 11 juni 2014

Uit je comfortzone (3)

Die man terug roepen, is het eerste wat in me opkomt. Gehaast spring ik uit m’n auto om hem en zijn dochter achterna te rennen maar zie direct dat dat geen zin heeft, ze zijn al door de draaideuren verdwenen.
Wat nu? Bellen! Zijn nummer staat natuurlijk nog in mijn mobiel, oh als ze nog maar niet weg zijn!
Ik probeer het nummer terug te zoeken maar door de zenuwen druk ik steeds op verkeerde knopjes.
“Ik zie ook niets!” roep ik geërgerd uit en vervloek nu ook mijn ijdelheid want hierdoor heb ik natuurlijk geen leesbril bij de hand.
Terwijl ik zo aan het tobben ben schiet er een ontnuchterend stemmetje door mijn hoofd:
“Wat moet die man nu voor je doen? Het is iemand die met je meegereden is, je kent hem maar amper. Hij is niet verantwoordelijk voor jouw probleem!”
Ik staak m’n verwoede zoekpoging.
Inderdaad, wat heeft die man met mijn probleem te maken, hij en z’n dochter zijn gewoon aangekomen op de afgesproken plaats van bestemming, meer belangen heeft hij niet.

Opeens overzie ik het bizarre van deze situatie en begin te grinniken. “Hoe is het mogelijk, wat een timing!” roep ik verwonderd uit.
Eigenlijk heb ik een ontzettende mazzel gehad, dit had ook onderweg kunnen gebeuren! Dat was pas een ramp geweest. Stel je toch voor dat zij met hun keurige koffers, naast deze oude auto, langs de kant van de péage hadden gestaan.
Ik moet er niet aan denken! Zij reizen nu nietsvermoedend verder en weten niet half aan welk ongemak ze ontsnapt zijn, gelukkig maar!
Maar ondanks dit geluk bij een ongeluk, dringt toch al vrij snel mijn eigen realiteit tot me door. En zeker na de gezellige autorit komt die extra hard aan; zij reizen gemoedelijk door en ik sta hier alleen op het vliegveld ‘Charles de Gaulle’ met autopech en ik zal dit zelf op moeten lossen.

Ik bel Henk om te zeggen dat ik voorlopig nog niet thuis ben. “Ik kan niet meer schakelen net als de vorige keer bij Vichy,” zucht ik mismoedig.
Henk uit een paar hartgrondige vloeken. “Wat een klote situatie! En ik kan weer eens een keer niets doen hier zonder auto, ach Lies toch, ik heb met je te doen!”
“Tja,” antwoord ik gelaten, “Ik ga AXA maar weer bellen, ik houd je wel op de hoogte.”
AXA belooft een dépannage wagen te sturen. Het is twee uur ’s middags en het wachten gaat beginnen.
Ik eet mijn twee meegenomen Nederlandse boterhammen met kaas en beslis dat ik de auto bij een sloop af laat leveren, ik heb er zo vreselijk genoeg van om met deze onbetrouwbare auto te rijden. Dan maar geen auto meer! Okee we hebben geen geld voor een nieuwe maar er zal wel weer een oplossing komen. Alles beter dan dit wrak! 
Ik heb het nog niet gedacht of de telefoon gaat, het is Henk; “Lies, moet je horen!” zijn stem klinkt opgewonden, “Ik heb met Door gesproken en ze heeft gezegd dat ze haar oude auto aan ons wil schenken, is dat niet fantastisch?”
“Wow, ” roep ik verrast uit, “dat is geweldig, wat ontzettend lief van haar!”
Dorien is Henks dochter en heeft onlangs een nieuwe auto gekocht, blijkbaar heeft ze haar oude niet ingeruild en die wil ze nu dus aan ons geven. Maar zo oud is deze auto helemaal niet, het is een zeer goed onderhouden citroen C1, nog maar acht jaar oud, wat een geluk is dit!

Rond vijf uur ’s middags, bijna drie uur later, sta ik met drie zware tassen en een basgitaar die ik eigenlijk in Nederland had willen verkopen, langs de kant van de weg voor het autodepot te wachten op een taxi. De dépanneur is zojuist weggereden, alles is stil en verlaten.
Mijn reisdoel is omgegooid. AXA kan mijn terugreis naar huis niet meer regelen omdat het al te laat is. Volgens hen kan ik onmogelijk de laatste trein naar Vichy van zes uur 's avonds nog halen.
Eigenlijk helemaal niet zo erg want ik kan beter naar Nederland teruggaan om onze ‘nieuwe’ auto op te halen. Nu hoort reizen buiten Frankrijk niet bij de verzekeringsservice, maar tot Lille willen ze wel een ticket voor me regelen.


Twintig minuten later komt de taxi en die brengt me weer terug naar waar mijn ‘pech’ begon; het treinstation van ‘Charles de Gaulle’. Mijn ticket, eerste klas, ligt al klaar bij het loket, maar de trein gaat pas over anderhalf uur. Wachten maar weer.
Het is vermoeiend maar ik kijk wel m’n ogen uit. Wat leuk om weer eens op een station te zijn, ik realiseer me dat het zolang geleden is dat ik met de trein gereisd hebt, nog erger zelfs, er überhaupt één gezien heb. Net zoals reizende mensen, zakenmannen en vrouwen, mensen in chique kleding, stelletjes, ouderen, jongeren, toeristen, mensen uit andere landen.
Door al die afleiding gaat de tijd toch nog betrekkelijk snel en rond zeven uur ’s avonds stap ik in de TGV.
Een uur later kom ik aan in Lille en koop een treinkaartje Antwerpen. In principe kan ik nu over twee à drie uur in Nederland bij m’n ouders zijn.
Maar dat valt tegen! De eerst volgende trein naar Antwerpen gaat pas om tien uur vanavond. Dit betekent dat ik twee uur moet wachten, wat redelijk vervelend is, maar nog erger, dat ik dan pas rond kwart over twaalf in Antwerpen aankom. En dan rijden er dus geen treinen meer naar Nederland.
Stranden in Antwerpen, dat kan er ook nog wel bij, nota bene veertig minuten van mijn eindbestemming. Aangezien ik ook nog eens geen geld heb voor een hotel vrees ik dat ik de nacht op het station van Antwerpen door zal moeten brengen, een niet al te rooskleurig vooruitzicht.
Maar voorlopig ben ik nog wel even in Lille.  

Nu zijn er twee stations in Lille en het blijkt dat mijn trein juist vanaf het andere vertrekt.
“Oh, het is niet zo ver hoor, zo’n tien minuutjes lopen,” zegt  de vriendelijke loketjongen.
Ik sjok onhandig met m’n zware tassen en de basgitaar naar het andere station. Me haasten hoeft niet, dat is dan weer een geluk.
Er is een grote wachtruimte waar ik kan gaan zitten. Wat een dag!
Ondertussen begint de vermoeidheid aardig toe te slaan.
De korte nachtrust, m’n vroege vertrek,  het wachten en het zeulen met de zware bagage en de toch steeds wisselende emoties, beginnen hun tol te eisen.
Ik ben vanochtend pas vertrokken maar ik heb het idee dat ik al dagen onderweg ben.
Wat suf zit ik in de wachtruimte mijn tijd uit. Het is een verloederd gebeuren.
Een tandeloze junk komt naast me zitten en probeert contact te maken. Ik doe net alsof ik heel druk bezig ben met mijn telefoon, pff, daar heb ik even helemaal geen zin in!
Als hij het na een half uur opgeeft en wegloopt, biedt hij me op de valreep nog een slaapplaats aan, als ik die toevallig zoek. Ik bedank hem vriendelijk maar houd resoluut afstand.

Net als ik zo’n half uurtje in de trein zit richting Antwerpen en wat probeer te slapen zodat ik straks de zware nacht kan trotseren, hoor ik de luidspreker kraken en begint een mannenstem in het Vlaams te spreken;
“Dames en heren, in verband met ‘de werken’ aan het spoor zal deze trein niet verder rijden dan Waregem.
Voor de reizigers in de richting van Gent en Antwerpen staan er bussen klaar die u verder zullen vervoeren tot Deinze, alwaar u wederom de trein kunt nemen.”
Hoe is het mogelijk!
Het treinstel met voornamelijk Vlamingen raakt in rep en roer. Wat is dit nu? Verontwaardiging verbroedert direct en iedereen staat wat met elkaar te overleggen wat er nu moet gebeuren.
Een aardig uitziende jongeman, die naar Gent moet, loopt verdwaast door de coupé. Hij heeft vriendelijke ogen. Als de trein stopt vraag ik hem om samen op te lopen. Ik heb de hele week al last van een concentratieprobleem en nu ik ook nog zo moe ben, vrees ik dat ik de verkeerde kant op zal lopen en de bus missen, dat zal je net zien.
Hij draagt m’n zwaarste tas en helpt me instappen.
De bus zit zo goed als vol en wij kunnen nog net een plaatsje bemachtigen bij het draaischarnier van de verlengde bus.
Alsof we achterna gezeten worden scheurt de chauffeur als een razende over de donkere wegen, bij elke bocht draaien mijn tassen en de gitaar alle kanten op, ik heb de grootste moeite om alles bij elkaar te houden.
Waar we precies rijden kan ik niet zien want het regent en alle ramen zijn beslagen.
Waar ben ik nou toch weer in beland, dit bedenk je toch niet?
Rijd ik hier in een aftandse bus te jakkeren over het Vlaamse platteland terwijl ik nu lekker met Henk gezellig bij het open haardvuur zou moeten zitten.
 
Bij Deinze staat een trein klaar en de jongen en ik gaan weer bij elkaar zitten en beginnen een gesprekje. Hij is werkelijk aardig maar een wat vaag figuur is hij wel. Hij spreekt wat zacht en lijzig en natuurlijk Vlaams, soms moet hij ineens zomaar wat grinniken, ik moet erg m’n best doen om hem te verstaan.
Het blijkt dat hij vanuit Calais zwartrijdend aan het terugreizen is. Dat verklaart zijn zenuwachtige gedrag. Hij heeft daar een weekend in een kraakpand tussen illegale vluchtelingen doorgebracht.
Hij is een Belgische vriend die arts is op gaan zoeken. Hij vertelt hoe het leven bij die mensen er aan toe gaat. Dat ze leven in kraakpanden zonder elektriciteit en water, dat er regelmatig invallen zijn van extreem rechtse groepjes die hen molesteren. Maar ook het leven van die mensen zelf, de erbarmelijke omstandigheden waarin ze leven, de risico’s die ze nemen door op de meest onmogelijke en gevaarlijke manieren te proberen naar Engeland over te liften, de verveling omdat ze illegaal zijn en niet mogen werken. Het is een heel erg heftig weekend voor hem geweest, hij is doodop. Wat leuk denk ik, dit is duidelijk een sociaal geëngageerde jongen.
Ook ik vertel hem over mezelf, dat ik in Frankrijk woon maar soms nog in Nederland werk en hoe mijn reis terug naar huis vanmorgen in Brabant begonnen is maar dat deze helaas, zo’n vijftien uur later, jammerlijk op het station van Antwerpen zal gaan eindigen. Bijna weer terug bij ‘af’.

Het microfoontje van de trein begint te kraken en een stem zegt; “Dames en heren, over enkele minuten zal deze trein het station van Gent bereiken. Dit is tevens het eindstation dus wij verzoeken u allen de trein te verlaten.”
“Het is niet waar!” roep ik verbijsterd uit.  
De jongen leeft met me mee en zegt wat aarzelend dat ik anders ook wel bij hem thuis mag slapen.
 “Zo, dat is wel heel erg aardig!” antwoord ik verrast maar ik krijg geen tijd om er verder op in te gaan want juist op dat moment komt een conducteur voorbij lopen. Ik spreek hem aan : “Ik moet naar Antwerpen, hoe moet ik daar nu komen?”
De man kijkt in zijn dienstregeling en zegt: “Er rijden geen treinen meer naar Antwerpen.”
“Ja maar, ik heb hier wel een ticket tot Antwerpen!”
“Ze hadden u vanaf vanmiddag helemaal geen ticket meer mogen verkopen, mevrouw. Zij moesten weten van ‘de werken’! Waar heeft u uw ticket gekocht?”
“Lille.”
“ Ja, dat is Frankrijk hè, die doen maar wat!”
“Maar, in de trein is ook nog door uw Belgische collega’s omgeroepen dat de reizigers gewoon naar Antwerpen door konden reizen,” verdedig ik mijn Franse aankoop. “Ja dat kan ik natuurlijk niet weten mevrouw!”
Ik krijg bijval van de jongen en enkele mensen die ook in die trein hebben gezeten. De conducteur is een vriendelijke man en gaat overstag. “In dat geval heeft u recht op een taxi!” zegt hij resoluut, “Gaat u alvast maar naar het perron, daar loopt mijn collega, hij zal u verder helpen. Ik moet de trein nog afsluiten, ik kom zo ook naar u toe.”

De jongen en ik lopen het perron op. Inmiddels is het ook beter tot me doorgedrongen dat hij me een slaapplaats aangeboden heeft en dat is wel iets aanlokkelijker dan een nacht op het station van Antwerpen slapen of in een verlopen kroeg rondhangen. Of ik nu in Gent strand of in Antwerpen, dat maakt ook niet meer uit.
“Ik zeg hem dat ik van zijn aanbod gebruik wil maken, maar dat ik wel mijn ticket om wil zetten naar morgen, ik heb er per slot van rekening voor betaald!
Een dikke perronchef komt aanlopen. Het blijkt een nogal starre slecht luisterende man te zijn.
Ik leg hem het verhaal uit en zeg dat ik op grond van dit alles recht heb op een taxi, dat ik die niet wil omdat ik besloten heb om bij die jongen te overnachten, maar dat ik dan wel een ticket voor morgen wil.
De perronchef begrijpt het niet. “Nou mevrouw, u heeft geen recht op een taxi , het is u eigen verantwoordelijkheid! U had het moeten weten, die ‘werken’ staan al weken aangekondigd.”
“Ja maar, ik ben Nederlandse en ik kom hier nooit!” werp ik verbaast tegen.   
Hoe verzint die man het!
“Maar ik wil helemaal geen dure taxi,” zeg ik nogmaals, “ als u mijn ticket verlengt dan is het al goed!”
De aardige conducteur komt aanlopen en de perronchef wendt zich tot hem. “Weet jij hier iets van?”
“Ja, deze mevrouw heeft recht op een taxi,” antwoordt de conducteur. De mannen overleggen de situatie.

“Ja maar uh….” probeer ik er tussen te komen.
Ik word genegeerd en de chef pakt zijn portofoon en zegt. “Ja hallo, hier moet een taxi komen voor den Antwerp!” De aardige conducteur zwaait en loopt door.
“Zo dat is geregeld mevrouw,” zegt de perronchef zelfvoldaan over zijn generositeit.
“Ja maar, ik wil helemaal geen taxi!” roep ik uit.
De man negeert me nog steeds. “Zij wil helemaal geen taxi!” herhaalt de jongen in het Vlaams.
Dat heeft effect! 
De man kijkt verbluft, grijpt weer naar zijn portofoon, “Ja hallo, hier geen taxi voor den Antwerp!”
De jongen en ik schieten in de lach. Wat een kolder!
Het duurt hierna nog zeker vijf minuten voor het tot de perronchef doordringt dat ik bij die jongen, hier in Gent blijf slapen en dat ik een ticket wil voor morgen. Maar ik krijg het.
Dit is ook de laatste daad van de man voor vandaag, zijn werkdag zit erop. Gezamenlijk lopen we richting de uitgang van het station.
 “Zo, dat is wel bijzonder attent van u om deze mevrouw een slaapplaats te bieden. Dat zie je niet vaak meer tegenwoordig!” zegt de perronchef complimenteus, “ nou petje af hoor! En dan nog wel aan een Nederlandse!”

De volgende ochtend om acht uur bel ik Henk, “Jij raadt nooit waar ik ben.”
Dat weet hij niet en kan hij ook niet weten, want bij hem lag gisteravond de internet- en telefoonverbinding er weer uit, dus we hebben al een tijdje geen contact meer gehad.
Ik heb hem nog wel een sms gestuurd dat alles in orde was en dat ik vanmorgen zou bellen. Om  niemand wakker te maken als er gebeld zou worden, heb ik vannacht mijn mobiel uitgezet.
“Lies waar ben je dan?” antwoordt hij redelijk ongerust, “Ik heb vannacht geen oog dichtgedaan!”
“Nou, ik lig ergens in Gent in een studentenwoning op een stretcher,” zeg ik zo zacht mogelijk door de telefoon. “In Gent?” roept Henk verbaast uit, “je zou toch naar Antwerpen gaan?”
Ik moet lachen, in gedachte zie ik zijn verblufte gezicht voor me.
“Ja, bij een jong stel, hem heb ik in de trein ontmoet en weet je, zijn vriendin studeert jazzpiano op het conservatorium hier in Gent, is dat niet leuk?”zeg ik vrolijk.
Henk begrijpt, gezien de omstandigheden waar ik in zit, mijn enthousiasme niet helemaal, maar is toch blij dat ik in ieder geval veilig ben en ook nog in een bed geslapen heb vannacht. Ik zeg hem dat ik hem later, als ik weer bij m’n ouders ben bel om helemaal 'bij' te kletsen..
Het jonge stel komt nu ook uit de slaapkamer te voorschijn. We drinken nog gezellig samen koffie, de jongen is inmiddels ook minder vaag, hij moet gisteren ook echt heel erg moe geweest zijn. We praten over muziek en de Belgische spoorwegen. Het meisje blijkt half Nederlands te zijn en heeft een ontzettend nuchtere humor, het is haast te gezellig om te vertrekken. Maar een uurtje later dan ik had gepland maak ik toch aanstalten om te gaan.
Ik nodig ze uit om zeker eens bij mij en Henk in de Auvergne te komen logeren.
We wisselen email adressen uit en zeggen dat we contact houden.
Blij over zoveel hartelijkheid neem ik de tram naar het station. Dit keer gaat mijn reis voorspoedig. De trein naar Antwerpen komt vrijwel direct. In de trein raak ik aan de praat met een vrouw die woont in Gent en  werkt in Antwerpen. Vanwege de basgitaar vraagt ze of ik muzikant ben. Honden, baby's en muziekinstrumenten nodigen altijd uit tot een praatje. Haar zoon is namelijk ook muzikant en daar is ze duidelijk trots op.
Het klikt direct tussen ons en we kletsen honderduit, ook zij heeft weer een opmerkelijk persoonlijk verhaal te vertellen. Ze is bezig een gezondheidscentrum op te zetten en heeft daar aardig wat financiële risico’s voor genomen. Dit is wel spannend maar het is haar droom.
Op het station in Antwerpen geven we elkaar drie wangkussen ter afscheid, we wensen elkaar veel succes met onze plannen en ideeën en beloven dat we contact zullen houden.
De trein naar Breda laat nog wel een uur op zich wachten, maar het deert me niet. Ik voel me een ontzettend gelukkig en bevoorrecht mens.
De laatste vierentwintig uur waren erg vermoeiend maar zeer ontwapenend. Ik heb weer eens gevoeld dat ik prima voor mezelf kan zorgen als de nood aan de man komt maar ook dat er zoveel leuke, hartelijke en lieve mensen zijn, die graag dingen met je willen delen.
Maar je moet er wel voor open staan. Ineens zie ik het heel helder. Als je jezelf veroordeelt of schuldig voelt, gevoelens waar ik de afgelopen week heel erg door werd overvallen, sluit je juist af en verliest het leven zijn glans.


_______________________________________________________________________________

In 2007 ben ik samen met Henk (contrabassist) verhuisd naar het Franse platteland.
Over deze wonderlijke periode heb ik een boek geschreven:

Ben je geïnteresseerd?  Via deze linken kun je het bestellen:
  Bol.com  
boek € 16,95

  Ebook  
  ebook: €4,99
uitg.: Vandorp educatief/ Grenzeloos
Het verhaal over een waarzegster en een muzikant die samen hun geluk in Frankrijk willen beproeven om daar een centrum voor muziek en levenskunst op te zetten

Als Lies op een avond Henk ontmoet slaan de vonken direct over. Behalve hun artiestenbestaan blijkt al snel dat ze ook hun passie voor Frankrijk delen.
Het begint met dromen over 'later als...' maar hun enthousiasme haalt de droom in. Samen storten ze zich in het avontuur en belanden van het ene toeval in het andere.
Een verhaal vol humor, over passie en durf, dromen en aanpakken, liefde en loslaten maar vooral over verwondering.
Wat kan er veel gebeuren als je gewoon ‘ja’ durft te zeggen! Zij gaan er in ieder geval vanuit dat hun idee fantastisch is en alle gebeurtenissen lijken dit ook te bevestigen…


Deel twee komt uit in september/ oktober 2014

woensdag 28 mei 2014

Uit je comfortzone (2)

Ze staan al klaar als ik aankom. De vader, een keurige eind-vijftiger en zijn dochter, geen peuter maar een leuk pubermeisje.
We stellen ons aan elkaar voor en nadat de koffers in de auto zijn gezet en vader het huis heeft afgesloten vertrekken we.
“Ik heb gezegd dat het geen luxe auto is hè,” zeg ik lachend maar inwendig wat verlegen met de situatie.
Deze mensen zijn een heel ander vervoersmiddel gewend, dat is duidelijk.
“Nee hoor, geen enkel probleem,” zegt de man vriendelijk, “we zijn blij dat we mee kunnen rijden en hij rijdt toch?”
Om mij gerust te stellen voegt hij er aan toe dat hij graag in een Renault Espace rijdt, hij heeft er zelf ook één. Maar die van hem staat ondanks zijn beduidend jongere leeftijd nu bij de garage, en die van mij rijdt in ieder geval. 
“Tja, dit is voor mij ook weer eens wat anders,”zegt de man zorgeloos, “ik reis het traject Parijs-Nederland vrij vaak en meestal ben ik degene die de lift aanbiedt.”
Ik vertel hem dat dit de eerste keer is dat ik mensen georganiseerd meeneem. Dat ik geaarzeld heb om co-voiturage voor te stellen, vanwege mijn oude auto, maar dat deze oude brik zich op de heenweg zo goed gedragen heeft, dat ik toch maar een bericht heb geplaatst op nederlanders.fr.
Dat er vervolgens niemand reageerde en dat ik erg verrast was dat zijn vrouw vanochtend op de valreep nog belde. Ze heeft zeker mijn blogverhaaltje ‘In z’n drie door Vichy’ niet gelezen,” vraag ik lachend.
Ik vertel hem het verhaal over mijn autopech en de helse rit die ik heb gehad. Hij ziet de grappigheid er blijkbaar ook van in want hij moet lachen. Zo, de kop is eraf, denk ik opgelucht, op naar Parijs. 
“Nou, zo te horen klinkt de auto nu toch goed, hij haalt wel hoor!” zegt de man bemoedigend.

“Maar woon jij nu in Breda of in Parijs?” vraag ik nieuwsgierig. Het blijkt beiden het geval te zijn. Zijn vrouw werkt in Parijs en heeft daarnaast ook een baan in Nederland, vanwege haar werk pendelen ze nu een beetje heen en weer. Hij is tot voor kort een hoge officier bij Nederlandse defensie geweest, in de diplomatieke dienst. "Zo, dus ik ben in hoog gezelschap," constateer ik lachend. "Ach," antwoordt hij, "wat zal ik zeggen, in principe wel, maar ik ben niet meer in functie hoor. Die legerbaan is voorbij en in feite ben ik nu een vrij burgerman, daardoor kan ik nu nog meer genieten van het dubbelleven Parijs-Nederland.
Ik zit in de comfortabele positie dat ik kan kiezen, een oriënterende fase, kijken wat ik nog wil gaan doen."
Wat een interessante man denk ik met enig ontzag, wat leuk dat hij zo open is.
Voor mij is iemand uit het leger, zeker met zo'n hoge rang één en al gezag, autoriteit en afstandelijkheid, daar zou ik dit nooit van verwachten.
Een grappige situatie schiet door m'n hoofd.
Er is al het hele weekend sinds ik in Nederland ben van alles te doen rondom de ‘Nucleaire top’, die overmorgen, dinsdag 25 maart zal plaatsvinden in Den Haag. 
Rijkswegen die afgezet zijn, extra security.
Wij rijden Nederland dan wel uit, maar je weet het nooit, deze auto heeft al meerdere keren de aandacht van de douane getrokken, wat als we aangehouden worden? Dan rijd ik hier zowaar met de defensietop de grens over!
“Oh, dus ik zit hartstikke goed met jou naast me als we aangehouden worden,” grap ik vrolijk.
Ik zie het al helemaal voor me, de douane die denkt een stelletje alternatieve actievoerders aan te houden en dan kom ik met hem op de proppen.
Jammer wat een kans, reden we maar richting Nederland, dan was de pakkans groter. Dat zou ik nu graag eens mee willen maken.

Net als vroeger, toen ik met een vriendje liftend naar Frankrijk trok. Dat was trouwens precies de omgekeerde situatie; een keurige heer nam ons, 'langharig tuig’ mee de grens België - Frankrijk over.
We moesten stoppen want de douane kreeg ons in het vizier. De arme man mocht helaas ook niet verder. Onze bagage werd onderzocht en ja hoor, beet!
Triomfantelijk viste de douanier een plastic zakje voor één vierde gevuld met wit poeder uit één van de rugzakken. De douaniers waren in alle staten van opwinding, dit was de ‘betere’ vangst!
Het zakje ging van hand tot hand en verdween, met een douanier mee naar een andere ruimte.
Het wachten, op dat wat wij al wisten wat zou gaan komen, begon. De man wachtte noodgedwongen mee.
Na anderhalf uur kwam een duidelijk teleurgestelde douanier onvriendelijk zeggen dat we mochten vertrekken.
Ondanks zijn stoere onverzorgde uiterlijk had mijn vriendje een keurig en zeer zorgzaam moedertje en die had nog net voor we vertrokken, ondanks onze protesten, een zakje waspoeder in zijn tas weggemoffeld.
Het was wel erg sneu voor deze douaniers en onze liftgever, die ons overigens toch gewoon weer mee verder nam. Wat een situatie! Dagenlang hebben we er lol om gehad.

Mijn emotionele bui, die mij aan het begin van mijn bezoek aan Nederland was overvallen, begint op te klaren. Ik ben weer in m’n element, lekker reizen en ondertussen ook nog van gedachten wisselen met iemand die een totaal ander leven heeft dan ik, maar in feite in net zo'n onzekere positie zit ten aanzien van zijn eigen doelstellingen.
Leuk deze onverwachte ontmoeting!
De man vertelt verder over zijn leven vroeger als diplomaat, dat hij dus met zijn gezin de halve wereld over gezworven heeft. Hij heeft maar liefst vijf kinderen, die allemaal minimaal drietalig zijn. Opgegroeid in het buitenland, internationale scholen. Maar ook over de moeilijke keuzes waar je als diplomaat soms voor gesteld staat.
Wow, dat is echt iets wat ik ontzettend interessant vind! Wat leuk om eens een kijkje te krijgen in zo'n andere wereld. 
Maar we hebben toch ook aardig wat gemeenschappelijke ervaringen.
We bespreken hoe je leven verandert als je eenmaal in het buitenland woont.
Elke emigrant is toch een soort avonturier.
“Daarom neem ik graag lifters mee,” zegt de man, “je ontmoet altijd mensen met een bijzonder verhaal!”
"Zou jij weer echt helemaal in Nederland kunnen wonen?" vraag ik geïnteresseerd, dit is natuurlijk ook mijn actuele thema; moet ik keuzes maken en zo ja, welke dan?
Hij geeft aan dat hij zich dat ook niet meer kan voorstellen, dat je verandert naarmate je langer uit Nederland weg bent.

Je vervreemdt van je geboorteland en de achterblijvers begrijpen je steeds minder, je krijgt steeds minder gemeenschappelijke ervaringen. En dat dat soms heel jammer of pijnlijk is, is iets wat ook bij hem heeft gespeeld.
Zie je wel denk ik, geld heeft hier dus helemaal niets mee te maken. 
Geanimeerd vertel ik mijn verhaal, over Henk die Bassist is, over de jazzclub, het werken met muzikanten, maar ook dat ik weer terug ben naar mijn leven als artiest, dat ik nu ook in Frankrijk begin door te breken en dat ik daar erg trots op ben. En natuurlijk vertel ik over mijn boek en m'n schrijverij.
Hoe blij ik ben met mijn leven maar dat de economische situatie mij toch erg in verwarring brengt.
Hij luistert geïnteresseerd naar mijn verhaal. "Nou," reageert hij lachend, "als ik jou zo hoor, zou ik lekker doorgaan waar ik mee bezig was. Uit alles blijkt dat daar jouw hart ligt en ik denk ook dat je dat ontzettend goed doet."
Wat een leuk compliment en wat een speciale autorit!

“Jaha, zegt de man, muziek is in mijn familie ook altijd belangrijk geweest, vooral de klassieke muziek.”
Natuurlijk, denk ik, dat lijkt me logisch, volkomen in de lijn van mijn verwachtingen.
“Maar ook hardrock,” vervolgt hij.
“Echt waar?” verwonderd kijk ik hem aan. Hij lacht een beetje geheimzinnig. “Je weet inmiddels mijn achternaam...”
“Adje!” roep ik verrast uit. “De gitarist van uh..."  "Whitesnake en VandenBerg," vult hij aan.
"Nee, echt waar, is dat jouw broer? Wat bijzonder!" 
“Ja,” zegt de man trots, “Ad heeft weer een nieuwe band bij elkaar en binnenkort hebben ze een optreden in Parijs, dan ben ik zeker ook van de partij met mijn gezin, reken maar dat wij vooraan zitten!”
Ik moet lachen.

Wat is het leven toch wonderlijk. Alles aan deze man is anders dan ik het me had voorgesteld.
Zit ik hier ineens ook nog met de broer van een bekende hardrock gitarist in de auto.

Zo zie je maar weer, alles is betrekkelijk, denk ik opgelucht.
Mijn stemming is vrolijk en luchtig geworden.   
Dit zou ik nooit meer willen missen. Ik houd van vreemde en onverwachte ontmoetingen en nieuwe situaties, sinds mijn leven in Frankrijk zit het hier vol van.
Zelfs deze man met het ogenschijnlijk keurige leven is ook een vrijbuiter net als ik en daarom kunnen we het, ondanks het verschillende sociale milieu waarin we leven toch ontzettend goed vinden met elkaar. Wat maakt het uit dat we nu in deze oude brik zitten, we rijden en bereiken beiden ons doel. Hij Parijs en ik straks de Auvergne.

Zijn dochter zit al die tijd keurig en stilletjes achterin, waarschijnlijk kan ze door de herrie van de auto ons gesprek maar amper volgen. Als ik zeg dat ik het rot vind dat
ze op deze manier zo buitengesloten wordt, lacht ze lief. Het is geen probleem, ze heeft haar iphone.
De tijd is omgevlogen en we naderen Parijs. Vader en dochter moeten naar het stadscentrum, maar we hebben afgesproken dat ik hen afzet bij het treinstation van het vliegveld ‘Charles de Gaulle’.
Kan ik gemakkelijk de snelweg weer opdraaien en voor hen is het dan nog maar een klein stukje met de trein.
We rijden de ‘dépose minute’ bij het treinstation op. Het is gelukkig niet druk. Ze halen hun koffers uit de achterbak, hij geeft me een bijdrage voor de rit, ik geef hem een visitekaartje van Henk en van mij. Vrolijk schudden we elkaar de hand en wensen elkaar een goede reis.
Ik stap weer in de auto, draai schuin achteruit het parkeervak uit en terwijl ik in z’n één optrek zie ik ze over mijn schouder nog net het gebouw binnenstappen.
Zo, dat was leuk en nog een centje verdiend ook, geweldig! Ik ben vrolijk en blij, het leven is mooi!
Ik geef gas, hup in z’n twee maar dan ineens Tak , ik hoor een enorme knal en mijn linkervoet schiet naar beneden en rust nu, samen met het schakelpedaal, op de bodem van de auto……
"Oh nee, niet wéér!" roep ik hartgrondig uit terwijl ik de auto met het behaalde vaartje weer een parkeervak in stuur. "Oh God, wat nu?" 


_______________________________________________________________________________

In 2007 ben ik samen met Henk (contrabassist) verhuisd naar het Franse platteland.
Over deze wonderlijke periode heb ik een boek geschreven:

Ben je geïnteresseerd?  Via deze linken kun je het bestellen:
  Bol.com  
boek € 16,95

  Ebook  
  ebook: €4,99

uitg.: Vandorp educatief/ Grenzeloos
Het verhaal over een waarzegster en een muzikant die samen hun geluk in Frankrijk willen beproeven om daar een centrum voor muziek en levenskunst op te zetten

Als Lies op een avond Henk ontmoet slaan de vonken direct over. Behalve hun artiestenbestaan blijkt al snel dat ze ook hun passie voor Frankrijk delen.
Het begint met dromen over 'later als...' maar hun enthousiasme haalt de droom in. Samen storten ze zich in het avontuur en belanden van het ene toeval in het andere.
Een verhaal vol humor, over passie en durf, dromen en aanpakken, liefde en loslaten maar vooral over verwondering.
Wat kan er veel gebeuren als je gewoon ‘ja’ durft te zeggen! Zij gaan er in ieder geval vanuit dat hun idee fantastisch is en alle gebeurtenissen lijken dit ook te bevestigen…


Deel twee komt uit in september/ oktober 2014

zaterdag 24 mei 2014

Uit je comfortzone(1)

Om kwart over acht ‘s ochtends begint mijn mobiele telefoon te rinkelen, op het display zie ik een onbekend Frans nummer. Zondagochtend, wie belt er nu op dit tijdstip? Een beetje verwonderd neem ik op.
Een vrouwenstem aan de andere kant van de lijn stelt zich voor in het Nederlands en vraagt of ik nog steeds plaats in de auto heb. Haar man en dochter zijn in Breda en zoeken een lift naar Parijs.
“Ja natuurlijk!” antwoord ik verrast. Ze geeft me zijn telefoonnummer zodat ik het verder met hem kan regelen.
Zo dat is geluk hebben, denk ik in m’n nopjes, toch nog gedeelde reiskosten.
Vier dagen geleden ben ik, met redelijke bibbers in mijn lijf, toch weer in onze oude Renault Espace uit 1993 naar Nederland gereden voor een optreden.
Een reis waar ik van te voren wel heel erg tegenop zag maar die wonderwel toch weer goed verlopen is. De motor liep zelfs als een zonnetje en ook in Nederland reed ik vlekkeloos nog zo'n driehonderd kilometer weg. 
Dit had me de moed gegeven om toch een oproep voor co-voiturage voor de terugweg te plaatsen op Nederlanders.fr
Helaas heeft er niemand gereageerd, maar daar heb ik met Henk door de telefoon ontzettend om gelachen. “Die hebben natuurlijk allemaal m’n blogverhaal ‘In z’n drie door Vichy’ gelezen”.
 

Ik bel de man en krijg een adres in het Ginniken, een wat sjiekere wijk in Breda. De man klinkt aardig en keurig. “Ik heb wel een oude auto hoor, geen luxe!” waarschuw ik toch maar even voor de zekerheid. Hij vindt het geen enkel probleem en we spreken af dat ik er om tien uur zal zijn.
Ik vind het spannend, dit is de eerste keer dat ik iemand meeneem die ik niet ken. Ik rijd bijna altijd alleen, daar houd ik van, dan heb ik m’n gedachten voor mezelf en kan ik lekker harde muziek luisteren. Nu gaat deze man met dochter, alleen maar mee tot Parijs, de helft van mijn reis, maar toch zullen we nog zo’n drie à vier uur bij elkaar in de auto moeten zitten, hopelijk hebben we wat gespreksstof anders duurt zo’n reis knap lang.
Wat zou het eigenlijk voor iemand zijn?
Een vader en een dochter die naar Parijs gaan en een moeder die uit Parijs belt, zoiets maakt me toch nieuwsgierig. Het zal wel een gescheiden man zijn, denk ik het antwoord te weten. Het kind zal dan wel bij haar moeder in Parijs wonen. Als het maar niet zo’n kleine krijsende dreumes is.
Ojee, en ik moet lachen bij de gedachte, straks heeft hij allemaal ‘kinderen voor kinderen’ cd tjes bij zich om het meisje zoet te houden. Dat zal mijn geluk weer wezen!
Ach, we zullen wel zien, voorlopig ben ik blij dat ik mijn kosten wat kan delen, maar vooral dat ik weer naar huis ga.

Deze keer verloopt het bezoek aan Nederland niet echt ontspannen. Ik weet niet wat ik heb, ik ben gevoeliger dan normaal, erg moe en kan me slecht concentreren.
M’n optreden is daardoor nogal zwaar geweest.
Het bezoek aan m’n dochter in Amsterdam voelt als 'veel tekort' en ondanks dat is het parkeertarief nog te hoog.
Hoewel ik op het ogenblik best gelukkig ben en ik me erg verheugd heb om haar weer te zien, maakt ons weerzien me dit keer melancholiek. Wat mis ik eigenlijk een groot deel van haar handel en wandel, nooit kunnen we eens even gezellig bij elkaar langs.
Wat is nu eigenlijk mijn moederrol? Ik ben me pijnlijk bewust dat ik haar al een hele tijd niet meer even lekker heb kunnen verwennen met cadeautjes of leuke kleren. Een bezoekje aan de ‘stad’ en samen lekker lunchen op een terrasje, wanneer was dat voor het laatst?
Ik voel me verdrietig en in de war.
Wat is de prijs eigenlijk die ik betaal voor mijn droomleven in Frankrijk? Ik houd van mijn dochter en toch kies ik voor een leven met een veel lagere levensstandaard, zodat ik haar lang niet zo vaak kan zien als dat ik zou willen. Groeien we niet uit elkaar? Ze is vijfentwintig inmiddels, terwijl ze in mijn hoofd maar steeds achttien blijft.
Ik kijk naar mezelf met mijn oude autobrik, om me heen vliegen de grote en vooral nieuwe auto’s langs me heen. Nederland is één en al bling bling, het levensritme is hier twee of misschien wel drie keer zo snel als in de Auvergne.
Dit kan ik nooit evenaren. Ik ben blij dat ik hier nog kan komen voor een bezoekje maar meer zit er voorlopig niet in. Toch voel ik tegelijkertijd ook dat ik deze snelle wereld aardig begin te ontgroeien, ik moet er niet aan denken om nog aan deze ratrace mee te doen.
Met een behoorlijke brok in m’n keel rijd ik weer naar Brabant, naar m’n ouders om hier nog één nachtje te slapen voor mijn terugkeer naar huis. Terug naar de rust en de natuur.  

Maar in plaats van nog een laatste gezellig avondje krijg ik op de valreep nog een tirade van m’n vader over me heen.
Dit heb ik sinds mijn pubertijd niet meer meegemaakt en je zou het op mijn leeftijd ook niet meer verwachten, maar blijkbaar zit het hem erg hoog.
De strekking is duidelijk: het wordt tijd dat ik terugkom. De  résidence d’artistes en  jazzclub, waarvoor we naar Frankrijk zijn verhuisd is van de baan, dus waarom zouden we dan nog in Frankrijk blijven?  
“Je kunt daar de kost maar amper verdienen, wat zoek je daar toch in die armoede!” roept hij boos uit. Hiermee volkomen voorbijgaand aan alles wat me lief is en waar ik trots op ben.
Nu kan ik me zijn standpunt ook wel voorstellen, we moeten best wel  sappelen om rond te komen en soms raak ik daar ook wel van in de stress,  maar anders dan mijn vader zie ik nog steeds mogelijkheden.  
Hij gaat ook voorbij aan het feit dat ik al bijna tien jaar weg ben. Behalve mijn dierbare familie en een paar goede vrienden en af en toe een optreden, is er niets meer dat me aan Nederland bindt. Ik heb in Frankrijk een nieuw leven opgebouwd. We hebben ontzettend hard gewerkt om ons huis prachtig te verbouwen en een gezellige stek te creëren. Ik heb een geweldige werkplek waar ik heerlijk kan schrijven.  

Maar vooral dat het leven in Frankrijk een ‘mode de vie’ is die mij ontzettend bevalt en dat ik dit leven niet zomaar meer wil en kan loslaten, is iets wat hij totaal niet begrijpt.
Voor hem is het gewoon terugkomen en de draad weer oppakken, nou zo simpel ligt dat niet!
Dit probeer ik hem allemaal uit te leggen maar hij heeft zijn mening gevormd en staat totaal niet open voor mijn argumenten.
Ondertussen voel ik me gefrustreerd over zoveel onbegrip maar eigenlijk nog meer dat ik mezelf, als een kind, toch weer aan het verdedigen ben.
Ik zie mijn boze vader maar ik zie ook zijn onmacht en liefde.  Hij begrijpt gewoon niets van mijn leven in Frankrijk. Hij ziet mijn struggling niet als een avontuur en een uitdaging, zoals ik dat zelf ervaar.

Eigenlijk heb ik deze tirade ook wel aan mezelf te danken. Ik ben veel te open geweest al die tijd, ik vertel mijn ouders altijd alles over mijn voor en tegenspoed omdat ik dat graag wil delen, maar daar moet ik mee gaan stoppen. Vooral voor mijn vader is dit heel moeilijk, hij staat niet open voor het onbekende, het maakt hem alleen maar angstig, zodat hij alleen maar de  “negatieve” kant van mijn verhaal hoort.  
Hij wil me gelukkig en vooral welvarend zien, gewoon, lekker veilig in Nederland.
En misschien ligt onder deze hele discussie ook nog wel het feit dat hij me mist. Of het feit dat hij ouder wordt en dat er zomaar dingen kunnen gebeuren en dat ik dan erg ver weg ben.
Mijn moeder die er de hele tijd wat stilletjes bijgezeten heeft, roept ons tot de orde. “Zullen we er over ophouden? Jullie komen er toch niet uit, de situatie is zoals hij is, laten we nog even een gezellige avond hebben met elkaar.”
Gedurende de avond proberen we weer gewoon te doen, maar gemakkelijk is dat niet. De opgeroepen emoties blijven als een soort mistwolk om ons heen hangen.
Emigreren is soms ook gewoon heel erg pijnlijk.

Maar nu is het zondagochtend en ik sta op het punt om te vertrekken. Ondanks dat ik me nog steeds redelijk geëmotioneerd voel, ben ik ook erg opgelucht dat ik weg kan, naar huis en naar Henk.
Mijn ouders zwaaien me na. “Tot de volgende keer Lies, doe voorzichtig!”
Het zijn gewoon heel erg lieve mensen, ik hoop dat ik weer snel terug kan komen.
Maar voor nu… op naar Breda. Terug naar mijn nieuw gekozen leven,  ik ben benieuwd wat deze reis weer gaat brengen…………   


_________________________________________________________________________________

In 2007 ben ik samen met Henk (contrabassist) verhuisd naar het Franse platteland.
Over deze wonderlijke periode heb ik een boek geschreven:

Ben je geïnteresseerd?  Via deze linken kun je het bestellen:
  Bol.com  
boek € 16,95

  Ebook  
  ebook: €4,99
 

uitg.: Vandorp educatief/ Grenzeloos
Het verhaal over een waarzegster en een muzikant die samen hun geluk in Frankrijk willen beproeven om daar een centrum voor muziek en levenskunst op te zetten

Als Lies op een avond Henk ontmoet slaan de vonken direct over. Behalve hun artiestenbestaan blijkt al snel dat ze ook hun passie voor Frankrijk delen.
Het begint met dromen over 'later als...' maar hun enthousiasme haalt de droom in. Samen storten ze zich in het avontuur en belanden van het ene toeval in het andere.
Een verhaal vol humor, over passie en durf, dromen en aanpakken, liefde en loslaten maar vooral over verwondering.
Wat kan er veel gebeuren als je gewoon ‘ja’ durft te zeggen! Zij gaan er in ieder geval vanuit dat hun idee fantastisch is en alle gebeurtenissen lijken dit ook te bevestigen…


Deel twee komt uit in september/ oktober 2014