Posts tonen met het label Elisabeth Arts. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Elisabeth Arts. Alle posts tonen

woensdag 10 maart 2021

Geëmigreerd en 15 jaar verder, waar sta ik nu? Tijd voor zelf-reflexie… (1)

 Vanochtend vond ik een mail in m’n mailbox die m’n aandacht trok.

De afzender was een vrouwelijke businesscoach die ik volg op Linkedin, ik vind haar een fijn mens, warm, hartelijk, spiritueel  en ook zakelijk en overtuigend!
Aan die eerste beschrijvingen kan ik mezelf wel spiegelen, maar bij  zakelijk en overtuigend wordt het beeld troebel, daaraan ontbreekt het mij al een behoorlijke tijd, vind ikzelf.
De titel van de mail was :  Je kunt de ander niet verder brengen dan je zelf bent.
Die zin triggerde me. Eigenlijk verwoordde zij hiermee het antwoord op de kern van mijn zoektocht.

Een zoektocht, via een zelfgekozen pad, dat een dwaalspoor leek te zijn en nu al zo’n 15 jaar duurt.  
Toen ik eraan begon was ik vol enthousiasme en wilde ik andere mensen graag meenemen op mijn pad,  een gids zijn, gebruikmakend  van mijn Tarotkaarten en de prachtige natuur. Maar al vrij snel raakte ik zelf de weg kwijt.
Inmiddels ben ik vele ervaringen  en inzichten verder en sta ik op het punt om weer bij “af” te beginnen…  Terug  bij de start  van het pad dat ik ingeslagen was…  Ik heb mijn opleiding tot Hypnotherapeut bijna afgerond, ik kan een eigen praktijk beginnen, of nog spannender: een centrum voor levenskunst.
Ik woon nog steeds in die prachtige natuur, Henk is inmiddels met pensioen, dus nu is het echt de tijd om aan “mijn deel” te beginnen, vol passie en levenslust, net zoals ik van plan was toen we naar Frankrijk verhuisden, ik raakte de weg kwijt, maar daardoor is mijn landkaart nu wel behoorlijk uitgebreid…

En toch merk ik dat ik het starten nog steeds voor me uitschuif… diep van binnen aarzel ik nog.
“ Wat houdt me dan tegen?” is een vraag die me heel erg bezighoudt de laatste weken, vandaar dat die mail me triggerde. Tijd voor zelf-reflexie en misschien het allerbelangrijkste: het afsluiten van een periode!
De periode die eigenlijk begon na het laatste hoofdstuk van mijn tweede boek.  

Toen Henk en ik naar Frankrijk verhuisden was ons doel om een centrum voor muziek én levenskunst te beginnen.
Henk de muziek, ik de levenskunst. We begonnen met de muziek en als dat op de rails was zou ik aan mijn deel beginnen.
Ik was tot dan toe altijd al bezig geweest met me te verdiepen in spiritualiteit, de mens en het leven. Maatschappelijk werk gestudeerd, me bezig gehouden met natuurgeneeswijzen, massage, astrologie en de Tarotkaarten natuurlijk. Voor ik Henk ontmoette was ik alleenstaande moeder, had aan mezelf gewerkt en veel geleerd door middel van Gestallt-therapie en door alles wat ik tot dan toe had meegemaakt in mijn leven. 

Ik zag problemen dan ook voornamelijk als mogelijkheden tot groei en wijsheid. Aanpakken en lef hebben daar ging het om! Vooral niet blijven hangen in je problemen!
In mijn werk als waarzegster ging het door mijn positieve instelling dan ook hartstikke goed. Ik had veel succes. Toen ik Henk ontmoette was voor mij m’n levensvervulling compleet,  ik liep tegen de veertig en was vol zelfvertrouwen en vooral gelukkig. Dus toen we begonnen te dromen over Frankrijk dacht ik meteen aan de mogelijkheid om mijn geluk en inzichten te delen met anderen.

We begonnen met de muziek omdat Henk al zoveel ervaring had in workshops geven dus hij zou direct aan de slag kunnen. We hadden een oud hotel opgeknapt en er een zeer sfeervolle  Résidence d’artistes, met café  van gemaakt. Vrienden en familie waren blij voor ons en zagen misschien wel wat hobbels op de weg, maar door ons enthousiasme zagen ze onze plannen toch wel zitten. Nou voor ons was het duidelijk : dit kon niet anders dan een succes worden !
Menselijk en creatief gezien was het dat ook. We hebben zoveel mooie en ontroerende ontmoetingen gehad en veel vrienden gemaakt! Genoten van alle muziek en blije mensen.
Ook in de omgeving werden we goed ontvangen. Het office du tourisme maakte een video over ons om ons gebied cultureel  te promoten.  We verschenen regelmatig in een artikel in de krant en kregen zelfs een ‘eigen kopje’  op de activiteiten pagina van de regio. 

Er was alleen één grote ‘maar’….. we konden er niet van leven, sterker nog we bouwden alleen maar schulden op. Dat lag voor een groot deel buiten ons, het was bankencrisis, de mensen hadden geen geld, we zaten verstopt à la campagne, ver van de stad, ver van Nederland. Maar ook wij hadden ons aandeel in onze crisis: we waren meer idealistisch dan commercieel vaardig. We zaten door overmoedige inschatting van onze toekomstige inkomsten in het zwaarste sociale lastenregime waardoor we meer moesten betalen dan dat we verdienden.  
De geldzorgen werden op den duur te groot, we sliepen steeds slechter, we ploeterden, we stortten in en krabbelden weer op, soms stroomden de tranen.
Met name van teleurstelling! We hadden zo’n mooie plek gecreëerd en we deden zo ons best.


Henk had met het café nog zijn eigen speeltuin, een podium dat altijd speelklaar stond, hij vond het heerlijk om daar te zijn. Maar ik kreeg steeds grotere weerzin om er heen gaan. Ik werd niet meer blij van de mensen die zeiden dat ze ons café en de muziek zo fijn vonden.  Innerlijk  werd ik alleen maar steeds bozer op de klanten die niets verteerden, die de hele middag zaten op één biertje. Ik was zo teleurgesteld! Iedereen vond het leuk bij ons, mensen genoten van de muziek, maar geld uitgeven ho maar! Ik vatte het ook te persoonlijk op.  “Die mensen weten toch dat wij hiervan moeten leven! Als ze het hier zo leuk vinden waarom verteren ze dan niet wat meer!” klaagde ik hartgrondig tegen Henk.

Op een dag zei Henk: “Lies, jij zou toch jouw centrum beginnen? Ga daar dan mee aan de slag!”
“Hoe kan ik dat nou nog doen?  Ik geloof er niet meer in!” riep ik stampvoetend uit terwijl de tranen over mijn wangen biggelden.
Ik was wanhopig, verdrietig en boos. ik voelde me bekocht door het leven! Alles had erop gewezen dat we er goed aan hadden gedaan om deze stap te zetten en op het moment dat we onze deuren hadden geopend begon de tegenslag in te treden. Mijn hele spirituele positieve visie op het leven lag aan diggelen.
En dat was nog maar het begin…. Het zou nog erger worden, want ook mijn zelfvertrouwen zou het nog zwaar te verduren krijgen ….

donderdag 17 januari 2019

Enge stinkbeesten

De ochtend is vandaag begonnen met een zonnetje dat gezellig door de ramen naar binnen schijnt. Na dagen van mist, kou en motregen is dit een geschenkje uit de hemel en goedgemutst ga ik m’n werkkamer in om aan de Franse les te beginnen.
Op het moment dat ik mijn handen op het toetsenbord wil plaatsen om het computerwachtwoord in te typen deins ik van schrik achteruit, “Getver!” roep ik geïrriteerd uit richting de keuken onder mij, “Henk, er zit wéér zo’n beest!
En ook nog precies op mijn toetsenbord, het lijkt wel of ie het erom doet!”
Er gaat een rilling over m’n rug en gruwelend sta ik op om in de wc een stukje toiletpapier te halen waarmee ik het beest tussen m’n vingers kan vermorzelen.

 Gelukkig is het nu januari, winter en zijn ze zo sloom dat je ze zo kunt pakken. Een werkje van niets, waar ik inmiddels zo geroutineerd in ben geworden dat mijn aan paniek grenzende reactie een beetje ‘overdone’ kan overkomen. Wat kan zo’n klein beestje nou voor kwaad doen, zeker als je het zo kan oppakken en verwijderen?
Nou voor mij is het beestje in mijn fantasie uitgegroeid tot ‘een eng monster’ ; een ‘vies kwaad’ van twee cm lang met sprieten dat al bijna niet meer weg te denken is uit ons huishouden.
En daar zit dan ook direct de reden van mijn paniek. Oh, ik ben zo bang dat we er nooit meer vanaf komen! En dat ik daar reden voor heb is wel duidelijk gezien het feit dat er vandaag dus, ondanks de winter, toch weer één op mijn bureau zit. Ze zouden nu toch gewoon dood, of met hun winterslaap bezig moeten zijn.

Twee jaar geleden kwamen ze voor het eerst ons huis en ons bewustzijn binnenkruipen. Of eigenlijk al wel een paar jaar eerder toen we er enkelen op onze zolder aantroffen. We hadden geen idee wat het voor beestjes waren, even twijfelden we of het de voor het huis gevaarlijke boktorren zouden zijn. Gelukkig waren deze dood en wij hadden genoeg aan ons hoofd dus lieten we het erbij, dood konden ze in  ieder niet veel kwaad meer aanrichten.
Maar twee jaar geleden dus, waren ze ineens  in levende lijve aanwezig.
Het was rond oktober.
In eerste instantie was het een enkeling die tegen het raam zat.  Het was ook alleen maar op de tweede verdieping, onze slaapetage.  Ook toen waren ze sloom dus we konden ze voorzichtig met een papiertje naar buiten schuiven.
Maar in de weken die volgden werden het er toch iets meer. Benieuwd en ook wel bang dat het de gevreesde boktorren zouden zijn, maakte ik een foto van het beestje en ging ik op internet speuren wat voor soort het was.
Het bleken geen torren maar wantsen te zijn, de bladpootwants wel te verstaan.
Heel veel kon ik niet over de beestjes vinden behalve dan dat ze nog niet zolang in Europa aanwezig zijn.
Rond 2006 werden ze voor het eerst gesignaleerd ergens in Italie geloof ik. Ze komen uit Noord-Amerika. Leven in naaldbossen, waar ze zich voeden met het sap uit dennenappels, ze zijn niet agressief, bijten of steken niet en zijn dus onschadelijk voor de mens.
 Het enige minpuntje wat ze hebben is dat ze graag in een beschutte omgeving willen overwinteren, in huis bijvoorbeeld. Aangezien de halve Auvergne bedekt is met dennenbomen en wij er midden tussenin wonen is het dus niet zo vreemd dat het beestje ons huis inmiddels ook gevonden heeft.

In eerste instantie was ik opgelucht, hoewel ik na wat verder speuren op youtube toch wel verontrustende filmpjes tegenkwam. Er was één filmpje waar in Amerika, een huis  midden in een bos  getoond werd dat aan de buitenkant ‘zwart’ zag van die beestjes die allemaal naar binnen wilden. ‘Stinkbugs’ worden ze daar genoemd. Nou daar waren wij ook al achter: die beesten verspreiden een geur op het moment dat ze zich in gevaar wanen, op zich voor het beestje geen slechte reactie. Maar ze doen het ook als je ze doodknijpt en dat zou toch niet nodig zijn.
In het begin vond ik het nog niet echt stinken, een soort lucht van ‘groene appeltjes’ , maar er zit toch een ranzig randje aan die geur. Bij de één is dat sterker dan bij de ander en naar mate ik er steeds meer in huis tegenkwam hoe smeriger ik het vond worden. Toch wel wat ongerust door het filmpje en de hoeveelheid beestjes in onze slaapkamer waren we begonnen om ze toch gewoon te killen, gewoon met papiertje in de hand , want opstofzuigen durfde ik niet, veel te bang dat ze dan weer die zak uit zouden kruipen.
Maar dat was twee nazomers geleden.

Afgelopen najaar begon het allemaal anders. Veel vroeger in het jaar, eind augustus vlogen de eersten binnen.
Het was nog warm buiten dus alle ramen van onze slaapkamer stonden uitnodigend open. Als het nog warm is zijn ze blijkbaar veel actiever en doordat ze heel goed kunnen vliegen hopten ze vlijtig onze slaapkamer door.
De ellende begon.
De ramen gingen natuurlijk dicht! Maar nu hebben wij zo’n oud niet geïsoleerd huis dus daar lieten ze zich niet door weerhouden. Elke dag wisten toch wel minstens zo’n dertig beestjes zich door de raamkozijnen heen te wurmen. Voordat we gingen slapen moesten Henk of ik eerst op wantsenjacht. En wat een stank gaf dat! En de ramen moesten potdicht blijven natuurlijk.
Als ik al een raam opende dan vielen er zo een clubje van zes, acht of tien samengeklitte wantsen de kamer in en dan moest ik snel zijn om ze allemaal te pakken te krijgen.

Hier ontstond mijn gruwelfobie voor die krengen.
Overdag ging dat dan nog wel maar ’s nachts was een ramp want in tegenstelling tot vorig jaar was  deze lichting heel avontuurlijk. Ondanks mijn gespeur voor het naar bed gaan, wisten er zich toch altijd wel één of twee aan mijn aandacht of mijn grijphandjes te ontsnappen.
Hoe vaak was het niet dat ik in paniek opsprong uit bed. “oh… ik ruik zo’n beest!”
“Oh, Lies, laat toch gaan,” zuchtte Henk menigmaal naast me. “Ze zijn er nou eenmaal, maar ze doen toch niets? Je kunt wel aan de gang blijven!”
“Laten gaan? NOOIT!”, kreeg hij dan weer de wind van voren terwijl ik de dekens omhoog hield en mijn ogen centimeter voor centimeter het bed afzochten.
En ja hoor daar zat ie dan, naast m’n kussen bijvoorbeeld. Ik kreeg er wat van, bij elk beweginkje rondom mijn kussen zat ik weer rechtop in bed.
Ik raakte er steeds meer door geobsedeerd want inmiddels waren ze niet meer alleen in de slaapkamer te vinden, overal door het huis heen kwam ik ze tegen. Bang om ze dan ’s avonds weer bij ons bed aan te treffen greep ik weer naar een wc rol die inmiddels overal verspreid door het huis lagen.

Rond eind september begon het ook buiten een probleem te worden. Op een dag ontdekte ik er één in het wasgoed dat lekker fris en schoon aan de waslijn hing. Ik was al halverwege met afhalen toen ik die ene dus in een t-shirt zag zitten. De schrik sloeg me om het hart! Oh god, als ze ook maar niet in de rest zitten… en ja hoor! Gemiddeld twee per kledingstuk, goed verscholen in broekspijpen, mouwen en andere beschutte plekjes.
Gelukkig had ik ze onderschept, maar de lol aan het wassen, zo’n beetje het enige huishoudelijke karweitje wat ik echt leuk vind, werd hier in één klap door verpest!
Ik kon het werkje ook niet aan Henk overdragen, want die inspecteerde niet nauwkeurig genoeg naar mijn mening en hiermee was het dus echt mijn probleem.
Ergens begin oktober, waren ze gedurende enkele dagen bijzonder frivool, ze vlogen in grote getale heen en weer in de tuin, tussen de bomen en het huis. Op mijn lievelingsplekje onder de lindeboom, naast de coniferenheg  vlogen ze zelfs tegen je aan en bleven dan haken in je kleding. Buiten was er geen lol meer aan.

Gelukkig moest ik voor mijn NLP opleiding een week naar Avignon, dus zou ik even rust krijgen. Maar zelfs daar achtervolgden ze me. Op de dag van vertrek ging ik ons camperbusje inruimen en toen zag ik ze… op de kussens van het bed. Wat stom dat ik daar niet aan gedacht had!
“Oh Henk, nu zitten ze ook nog hier in!”jammerde ik zielig en boos, “ik word er gek van! Oh en ik moet zo vertrekken om op tijd bij de camping aan te komen! Wat een gezeik! Kutbeesten!!” schreeuwde ik hartgrondig.
Geduldig hielp Henk me alles uit de bus te slepen en uit te kloppen. Wat moesten we anders.
 Wat later dan gepland, enigszins gerustgesteld vertrok ik naar het zuiden. Daar onder de platanen was van een bladpootwants geen spoor te bekennen. Behalve dan die vijf die toch nog tussen de kieren van de auto met me meegelift waren.
Bij thuiskomst was de situatie nog steeds hetzelfde. Een voor logés bedoelde caravan in onze tuin zat helemaal vol met die beesten. We zouden bezoek krijgen en Henk was een dag bezig  om de hele caravan leeg te halen en alles van boven tot onder te stofzuigen, dat moest wel zo want met het papiertjes doodknijpen was een onbegonnen werk. En steeds als hij dacht dat hij ze allemaal had, kwamen er weer enkelen tevoorschijn.

En nu is het winter en sinds het echt koud werd zien we ze niet meer. Voorzichtig hebben wij boven de ramen weer op een kiertje open.
Einde wantsenverhaal voor dit jaar! We hebben de herfst overleefd met die beesten.
Veel ongemak, maar we konden ons huis deze winter uiteindelijk met veel gedoe toch een soort ‘wantsenvrij’ houden, daar ben ik heel blij om!
Volgend jaar gaan we het anders aanpakken. Henk is van plan om voor alle ramen op de slaapverdieping horren te maken.  Dan kunnen we in ieder geval wel rustig slapen en frisse lucht binnen laten.

Maar ik ben bang!
Want vandaag, een wat minder koude winterdag met een zonnetje zaten er toch weer een paar binnen. Daarbij deden we vorige week nog een andere heel vervelende ‘wants ontdekking’.
Na een hele lange tijd niet meer op zolder te zijn geweest  wilde ik er iets gaan halen. Nietsvermoedend deed ik de deur naar zolder open. De ‘appeltjeslucht’ kwam me tegemoet en daar lagen ze, op de trap… honderden dode wantsen.
De eerste treden heb ik opgeveegd maar het was eind van de middag en omdat het donker werd staakte ik het werkje en deed de deur dicht. Sindsdien durf ik het niet meer onder ogen te komen, ik ben er zo vies van!
We hebben een pannendak zonder isolatie, dus ze zijn blijkbaar overal doorheen komen.

Henk die inmiddels wel op zolder is geweest zegt dat er duizenden liggen en allemaal dood.
En dat is gek, vind ik. Waarom moeten ze zo massaal binnenkomen om te overwinteren als ze toch doodgaan?

Internet biedt geen uitkomst. Er wordt zo weinig over die beesten geschreven.
Over de situatie hier in Frankrijk kan ik niets vinden.
Blijkbaar vindt niemand het nodig om een alarmbel te laten rinkelen. Ik heb het hier in de buurt nagevraagd. Er zijn zeker mensen die er ook last van hebben maar men doet toch wat laconiek over die punaises, zoals ze die hier noemen.
Een paar Nederlandse natuurfreaks die het blijkbaar ook opgevallen is dat er in Nederland bladpootwantsen rondvliegen, melden er iets over op hun blog.
Ze spreken over ‘enkelen’ , en vooral over het feit dat het beestje onschuldig is.
Nadrukkelijk zijn er een aantal voor die beestjes op de bres gesprongen door erop te hameren dat je ze gewoon moet laten leven. Als je er last van hebt zet je het exemplaar gewoon buiten.

Nou bij mij gaan ze eraan!
Ik walg van die beesten. Wij hebben er last van!
Dit heeft niets meer te maken met een beestje buiten zetten. Wij kunnen toch echt spreken van een plaag!
Ik vrees voor de toekomst, we kunnen moeilijk die beesten met bestrijdingsmiddelen gaan te lijf gaan.
Hele bossen benevelen, dat is geen oplossing en zou ik niet willen!
Maar zover ik het nu kan vinden op internet, heeft de bladpootwants geen noemenswaardige natuurlijke vijand. Ik hoop nog dat de vorst iets voor ons kan doen, maar ja met die opwarming van de aarde ben ik bang dat we weinig kans maken.

 Hoe gaat dit aflopen?
Alhoewel ik geen idee heb op wat voor manier,  voorzie ik een ramp!
Ineens moet ik aan de bijbel denken. Daar stond toch ook iets over insectenplagen? Waren het geen sprinkhanen?  De strekking van het verhaal mag ik even kwijt wezen maar volgens mij zat er een bedoeling achter. Misschien moet ik het toch eens opzoeken. 

zondag 20 december 2015

Vive les Pompiers (part 2)

Woensdagnacht half één, volgens planning zou ik nu al zo’n veertig minuten in huis, lekker naast Henk in een heerlijk warm bed liggen, maar in tegenstelling zit ik buiten, voor ons huis, in de middle of nowhere op een verlaten kruispunt in een donkere koude auto naast een verwarde mevrouw te wachten op de pompiers.
Wat een bizarre situatie, wie vindt er nu op dit late tijdstip in de donkere nacht, voor z’n deur een oud dametje liggend naast haar auto? Wat deed ze daar in hemelsnaam, zo’n omaatje moet toch ook allang in bed liggen? Wat een geluk dat Henk z’n computer niet afgesloten had, anders had ik niet naar buiten gekeken.
“Gaat het madame?” vraag ik bezorgd en ik pak haar handen die volkomen verkleumd zijn. Ze moet vast al een flinke tijd daar op de grond gelegen hebben, de arme ziel.
“Ze komen er zo aan hoor!” zeg ik bemoedigend, terwijl ik haar handen tussen mijn handen probeer warm te wrijven.
Ik moet haar aan de praat houden, denk ik bezorgd, wie weet wat ze onder haar leden heeft en als ze inderdaad suikerziekte heeft en haar medicijnen niet heeft gehad kan er van alles gebeuren.

Om haar gerust te stellen vertel ik dat ik Nederlandse ben en hier woon en dat ik toevallig naar buiten keek en haar auto zag. “Waarom was u daar?” vraag ik toch ook nieuwsgierig.
Het dametje begint weer wat op te warmen en nog steeds een beetje hortend en stotend komt er dan toch een soort van verhaal:
Ze was in haar auto wakker geworden op een parkeerplek bij de rotonde. Waarom ze daar was vermeldt ze niet, en ik vergeet het te vragen. Ze is gaan rijden maar in plaats van thuis kwam ze hier uit. Ze had totaal geen idee waar ze was, dus is ze hier op het kruispunt gestopt omdat ze niet wist welke richting ze op moest. Maar ze moest ontzettend plassen, dus is ze uitgestapt en daar was wat misgegaan, ik begrijp het niet helemaal, maar het komt er op neer dat ze is gevallen, niet meer op kon staan en toen dus in haar broek geplast heeft.  
Ze bedankt me wederom, en inmiddels duidelijk weer wat tot zichzelf gekomen, vraagt ze hoe ik heet. “Elisabeth,” antwoord ik. “Ah, Elisabeth,” zegt ze met een zucht, “dat is makkelijk om te onthouden, zo heet m’n zus ook. Ik heet Paulette.”

Net als ik is zij blijkbaar ook nieuwsgierig van aard, dat schept een band.
Ze wil weten hoe oud ik ben en vertelt dat ze zelf 78 jaar is en dat ze vroeger twee discotheken gerund heeft. Nou dat vind ik natuurlijk weer razend interessant! Wie verwacht dat nu weer?
Ik vertel dat ik met mijn man ook een muziekcafé gehad hebben in ons dorp.  Zij legt uit waar haar discotheek was en dat ze daar nu nog woont,  en toevallig weet ik nog dat toen wij hier kwamen wonen, ik uit nieuwsgierigheid nog wel eens langs die discotheek gereden ben. Ik vond het toen best merkwaardig dat er in zo’n schijnbaar uitgestorven doods dorp,  zo’n ‘Boîte de Nuit’ (Discothèque) was. Dan moeten er hier toch ook jongeren wonen, had ik mezelf, gezien onze plannen om een muziekcentrum te starten, nog gerustgesteld.
Haar handen zijn inmiddels weer opgewarmd maar voor de zekerheid houd ik ze nog maar even vast. En terwijl we daar zo samen zitten besef ik me dat we toch zeker al twintig minuten aan het wachten zijn.
“Waar blijven die pompiers nou?” vraag ik me hardop af.
Oh shit, misschien hebben ze wel gebeld, bedenk ik me ineens helder. Wat een kip ben ik, geef ik m’n telefoonnummer en laat ik dat ding vervolgens binnen liggen. 
“Ik ga even naar binnen, Paulette, ik ben zo terug.”
De telefoon knippert, er heeft dus iemand gebeld. Ik bel het nummer terug en het zijn inderdaad de pompiers. “Inmiddels zijn we erachter waar u woont,” zegt de brandweerman, en gelijktijdig komt er iets groots dreigends met zwaailichten verderop de bocht omzeilen.

En dan gaat het ineens snel.
Ze zijn met z’n drieën. Eén van de pompiers vraagt waar ik haar heb gevonden en vraagt hoe die auto dan nu voor ons huis komt. De andere twee ontfermen zich over madame.
Ik leg alles uit en dan komt één van de andere twee vragen of ze even binnen mogen met mevrouw. Ze moeten haar eerst onderzoeken voordat ze de ‘ambulanceauto’ in kan.
Ze zijn gehaast.
Ik open de voordeur en de pompier pakt vrijpostig direct de eerste de beste fauteuil die hij ziet.
Oh nee, ze heeft in haar broek gepiest, schiet het verschrikt door m’n hoofd.  “Nee, die niet!” gebied ik de man, “wacht even, ik pak een andere!”
Terwijl ik vanuit de kamer een zware leren stoel richting de voordeur sleur, gaat de man snel weer naar buiten. Tien tellen later staat de stoel bij de deur, maar het hoeft al niet meer. Ze hebben madame inmiddels uit de auto gesjord en haar toch maar in de ambulance gelegd.
De eerste man komt aanlopen met de sleutels van Paulettes auto en vraagt waar hij die hier kan parkeren. “Zet maar naast het huis,” antwoord ik, beduusd door deze overmacht aan snelle acties.
In een vaart rijdt hij achteruit en parkeert de auto redelijk schuin, slechts enkele centimeters van onze eigen auto, op de betonnen parkeerplaats.
Ik loop naar hem toe om te vragen hoe het nu verder gaat, maar hij baant me resoluut voorbij, stapt aan de achterkant de ambulance in en trekt zo recht voor m’n neus de deur dicht.
Beng!

Beteuterd sta ik alleen buiten in de kou naast de auto. Verwonderd hoe het allemaal gaat voel ik na enkele seconden verontwaardiging opkomen. Ik heb verdorie madame gevonden, me over haar ontfermd en nu word ik zo aan de kant geschoven, ik mag toch op z’n minst weten wat er aan de hand is en wat ze gaan doen met haar!
Venijnig klop ik op de achterdeur van de ambulance.
De deur gaat open en binnen zie ik haar op de brancard liggen. Ze zijn druk bezig om haar te onderzoeken… Ze hebben haar jas uitgetrokken en ze heeft een bloeddrukmeter rond haar bovenarm.
“ Ça va, Paulette?” vraag ik bezorgd. “Oui, ça va Elisabeth,” antwoordt Paulette gedwee met een zacht pruttelstemmetje…
Als ik vraag of ze haar naar het ziekhuis gaan brengen, knikt één van de pompiers bevestigend en verder geven ze geen krimp. Ik sta er echt voor spek en bonen bij.
“Ok, Paulette, veel sterkte,” zeg ik meelevend en doe een stap terug. De brandweerman trekt de deur weer dicht.

Ineens voel ik dat ik het koud heb, door alle consternatie ben ik al die tijd vergeten om een jas aan te trekken. Het heeft geen zin om hier buiten in de kou naast die wagen te blijven staan.
Ik ga naar binnen, nog steeds besluiteloos wat te doen, want de ambulance staat na tien minuten nog steeds voor onze deur. Door het raampje boven de deur zie ik het oranje licht van de zwaailampen vervaarlijk rond draaien.  
Ze pakken het wel heel grondig aan hoor, denk ik bewonderend ondanks mijn ergernis over hun niet toeschietelijke, haast norse gedrag naar mij toe.
Als ‘slachtoffer’ ben je bij hen echt in heel goede handen, dat moet ik ze nageven!
Terwijl ik nog wat loop te drentelen in huis, hoor ik de motor starten, er wordt gas gegeven en  het oranje licht verdwijnt, weg zijn ze…
Ik ga naar boven, poets m’n tanden en stap dan eindelijk, ijskoud, naast Henk ons bed in.
Het is tien voor half twee. Wat een nacht!
“Henk, je moet eens weten wat ik net allemaal heb meegemaakt,” zeg ik tegen m’n half slapende man.  “De ambulance is net weg, er was een vrouw in nood voor de deur.” Henk mompelt wat en geeft verder geen sjoege.
Nou ja, dat vertel ik morgen wel, denk ik, terwijl ik het dekbed over m’n hoofd trek en rillend tegen hem aankruip.  
 
Na drie dagen heb ik nog steeds geen nieuws van Paulette. Er is ook nog niemand geweest om haar auto, die behoorlijk onhandig staat geparkeerd, op te halen. Ze zal toch nog wel leven?
Ik besluit om haar op te gaan zoeken.
De wijk waar ik moet zijn is niet de sjiekste van het dorp. Het is even zoeken, want ik kom hier nooit, maar dan herken ik ineens de oude discotheek. Maar helaas vang ik bot, de plek ziet er erg stil en verlaten uit. Het hek is dicht en ik heb dubbele pech want op de brievenbus staat geen naam vermeld. De straat is verder erg stil, ik bel aan bij een aantal huizen, maar er wordt niet opengedaan.
Iets verder weg, bij een van de wat kleinere arbeidershuisjes heb ik geluk. Een vriendelijke man van mijn leeftijd doet open. Hij weet dat madame daar woont maar weet verder ook van niets, ook niet hoe ze heet. Wel weet hij dat ze twee dochters heeft en dat de buren, die niet opendeden, wel contact met haar hebben.
Hij beloofd om navraag te doen en mij te bellen. Ik laat m’n kaartje met ons telefoonnummer achter.
Maar ik hoor of zie niemand de hele week, tot er op vrijdag op de voordeur geklopt wordt. Henk die beneden is, doet open.
Ik zit boven en hoor hem wat murmelen en dan naar boven roepen, “Lies, het is iemand voor jou!”
Ik herken hem direct, de buurman uit het huisje. Hij verontschuldigt zich dat hij niet meer gebeld heeft, maar hij zegt dat hij wel mijn kaartje aan zijn buren gegeven heeft. Hij is inmiddels ook benieuwd, want de oude dame is nog steeds niet thuis teruggekeerd.
Ik zeg dat ik ook geen nieuws heb en dat de auto er ook nog steeds staat.
We zijn het er beiden over eens dat het maar een vreemd verhaal is. Schouder ophalend vertrekt hij weer.


Op zondagmiddag is de auto ineens weg.
“Nou moe, dat is wel heel brutaal, vind je niet Lies?” zegt Henk ontstemd. “We waren nota bene gewoon thuis, niet erg netjes om ons niet eens in te lichten!”
“Ja en nog erger, nu weet ik nog niet wat er gebeurd is en hoe het met haar gaat,” zeg ik beteuterd.
“Er is vast iets ergs gebeurd, want dit had ik niet van haar verwacht, zij zou me wel opgezocht hebben!”
Ik neem me voor om nog eens naar haar huis te gaan om haar op te zoeken, maar daar blijft het bij en aangezien de dagen toch zo snel gaan, zakt de hele geschiedenis wat weg.

Maar vandaag, drie weken na die koude nacht, stopt er weer een auto voor de deur en ook nu is het Henk die opendoet. “Lies, twee dames hier voor jou!”, roept ie naar boven.
Ze staan al binnen als ik beneden kom, een oudere en jongere vrouw, de oudere heeft een  pakketje in haar hand. Even begrijp ik het niet, een pakketje voor mij? Maar dan zie ik ineens wie het is… “Hee, Paulette! roep ik blij verrast, “wat ben ik blij om jou te zien!”
We kussen elkaar hartelijk op de wang en Paulette stelt de andere vrouw voor als haar dochter. “Ik woon nu bij haar in huis,” zegt ze zachtjes.
“Ja, ze kon echt niet meer alleen blijven wonen!” zegt haar dochter resoluut. “Moeder heeft  diabetes, dus ze moet oppassen! Voor jou geen nachtelijke escapes meer moeder,” zegt ze streng tegen Paulette.
Paulette is het roerend met haar eens, “Nee, dat is allemaal niet goed meer voor mij,” bevestigt ze  haar dochter ferm.

“Maar Paulette, hoe gaat het nu met je?  Ik wil weten wat er allemaal gebeurd is. Hoelang heb je uiteindelijk in het ziekenhuis gelegen? Was het ernstig?”
“Nee, het viel reuze mee,” antwoordt haar dochter wat pinnig in haar plaats, en ze kijkt bestraffend naar Paulette.  “Ze hebben haar ’s nachts bloed afgenomen en toen bleek dat ze een veel te hoog alcoholpromillage in haar bloed had. Ze heeft haar roes uitgeslapen en de volgende dag, ’s middags, heb ik haar opgehaald, het is voor schandaal!”
Paulette overhandigt me het cadeautje en zegt berouwvol maar met een heimelijk schalks lachje: “Ik had te veel gedronken…”

vrijdag 18 december 2015

Vive les pompiers! (part 1)


‘Ik ga naar bed,’ zegt Henk terwijl hij sloom opstaat van de bank en naar me toeloopt om me een kus te geven. ‘Je hebt gelijk! Welterusten lieverd, ik kom er zo aan.’
Ik ben ook moe, we hebben de hele dag in de tuin gewerkt, maar ik zit nog zo lekker. De houtkachel brandt behaaglijk en m’n glaasje wijn heb ik zojuist nog eens bijgevuld.
Onze honden Tess en Bobbie, die duidelijk geen zin hebben om de warme plek voor de kachel te verruilen voor hun mand in de koude slaapkamer, houden zich wijselijk slapend. Zachte jazzdeunen vullen de ruimte.
Wat is het leven hier op het Franse 'platteland' toch heerlijk, denk ik tevreden terwijl ik wat dromerig naar de sierlijke vlammendans zit te staren.
Een half uurtje later beginnen m’n ogen te rollen en m’n hoofd te knikkebollen, tijd om ook naar bed te gaan.
Ik kijk op de klok, het is nog maar kwart voor twaalf, eigenlijk nog hartstikke vroeg. De muziek is al tien minuten geleden gestopt, het is nog steeds behaaglijk warm, het enige wat ik hoor is het zachte gesnor van de kachel, het getik van oma’s klok en verder vooral de vredige stilte van ons slapende huis.  
Shit, de honden  moeten er nog uit! Ik sta op en roep de honden, die net als ik met tegenzin voor de kachel vandaan komen om met mij mee de tuin in te gaan.
Het is een maanloze nacht, het is waterkoud, de rivier ruist onrustig en de silhouetten van de bomen om ons heen zijn diepzwart en dreigend. ’s Nachts wordt onze vertrouwde tuin een donker bos, ver van de bewoonde wereld. Brr, hier is het echt nacht!
Ineens begint Tess, die ook niet ver de tuin in durft, te blaffen. Op m’n hoede probeer ik iets in de duisternis te ontwaren, maar ik zie niets, ogenschijnlijk is er niets aan de hand.
‘Kom, we gaan gauw naar binnen hondjes!’ roep ik monter, ‘kom maarrr..’
Snel de deur dicht, lichten uit, naar boven en naar bed.

In de muziekkamer op de eerste etage, aan de voorzijde van ons huis, brandt nog licht en ik zie dat Henk z’n laptop niet heeft afgesloten.
Terwijl ik de klep van de computer dichtdoe, werp ik nog even nonchalant een blik naar buiten waar een eenzame lantaarnpaal het verlaten kruispunt voor ons huis zacht verlicht. En dan slaat mijn hart een paar slagen sneller van schrik.
Midden op het kruispunt staat een auto, doodstil te staan. De lichten zijn nog aan en schijnen een witte lichtbundel de berm in. De deur aan de bestuurderskant staat wagenwijd open. Binnen in de auto brandt licht en de auto is leeg.
Getver wat eng, wat is dit nu weer? Daarom moest Tess natuurlijk blaffen.
Wat heeft iemand nu op dit tijdstip hier voor de deur te zoeken? Het is echt vreemd want ik  zie ook niemand.
Om het wat beter te kunnen bekijken open ik het raam en aanvallend roep ik wat dreigend met een stoere stem: ‘Qui est là!?’
Er komt geen antwoord, maar ineens zie ik op de grond in de schaduw tussen het portier en de auto iets zwarts in beweging komen.   
Verrek daar ligt iemand op de grond naast die auto, denk ik verbaasd. ‘Qu’est-ce-que vous faites là-bas?’(wat doet u daar?) roep ik nog steeds wat dreigend maar toch ook enigszins ongerust.

‘Je suis handicapééé, je suis handicapéééé, aidez-moi’ hoor ik een oudere vrouwenstem bibberig uitroepen.
Shit ik moet iets doen, maar wat als het een valstrik is?,denk ik toch een beetje in vertwijfeling.
Sinds de twee inbraken in ons café enige jaren geleden, kan mijn fantasie nog wel eens met me op de loop gaan, zeker als het donker is, maar ik verman me. ‘Kom op niet zeiken Lies,’ spreek ik mezelf heldhaftig toe, ‘er is iemand in nood en het is in ieder geval een vrouw! Ik neem aan dat er geen roverbende verstopt zit achter de bosjes.’
De honden rennen blaffend met me mee het kruispunt op.
‘Wat is er aan de hand? Waarom ligt u hier naast de auto?’ vraag ik ongerust.
‘Aidez-moi, je suis handicapés,’ zegt de vrouw nog steeds met een bibberig stemmetje, ‘ik kan de auto niet meer inkomen.’ De honden lopen onrustig en nieuwsgierig rond de auto.  
‘Wacht even, ik help u zo, even de honden binnen opsluiten,’ zeg ik gehaast.
 
Ze is maar een klein vrouwtje, maar ze is behoorlijk aan de maat. En terwijl zij zich probeert op te hijsen aan de stoel en de deurpost, probeer ik haar aan haar dikke jas omhoog te trekken en haar tegen haar kont de auto in te duwen. Maar echt handig gaat het niet vanwege haar zwaarlijvige en weinig flexibele postuur en de autodeur die in de weg zit.
Haar jas en broek voelen klam en koud aan, haar handen zijn verkleumd.
‘Ik heb in m’n broek geplast,’ stamelt ze beschaamd. ‘Geeft helemaal niets hoor, madame,’ antwoord ik geruststellend.
Na enkele minuten sjorren, duwen en trekken zit ze hijgend klem achter het stuur. Ik ga aan de andere kant naast haar zitten. Nu zie ik haar pas echt goed. Het is een klein dik propje, vriendelijk vollemaansgezicht, kort grijs krullend haar en een rond zilverkleurig brilletje.
‘Ach mevrouw, wat is er toch allemaal gebeurd?’ vraag ik medelevend maar inmiddels ook erg nieuwsgierig.  
Wat doet zo’n lief oud omaatje, in hemelsnaam op dit tijdstip liggend náást haar auto voor onze deur; een plek in the middle of nowhere? Hoe lang ligt ze hier al in die kou? Bizar, terwijl ik eigenlijk maar zo’n tien meter van haar vandaan op de bank zat.
Ze is helemaal overstuur en praat verward van de hak op de tak: ‘Merci beaucoup madame, ik was bang dat God me kwam halen, niemand hielp me, ik riep en riep…, er kwamen twee auto’s voorbij en die reden gewoon door, ik ben verdwaald, ik ben ziek, ik heb diabetes, ik moet naar een dokter.’
‘Ach arme vrouw,’ leef ik mee.

Een auto passeert en ook deze rijdt met een stevige vaart gewoon door. Shit we moeten hier van dit kruispunt af, denk ik ineens praktisch, het is niet druk, maar toch gevaarlijk.
Maar hoe? De vrouw zit nu gelukkig weer in de auto, maar wel aan de verkeerde kant. Zij kan onmogelijk nog rijden en uitstappen en even omlopen zit er ook niet in.
Ik leg haar uit dat ik de auto veilig voor ons huis wil parkeren en dat ze dus van haar stoel af moet.
Ze begrijpt het, ik stap uit en moeizaam probeert zij haar rechterbeen over de versnellingspook te tillen. Wat een ramp, als een sausijsje zit ze klem achter het stuur, ik sleur weer aan haar arm en de kraag van haar gewatteerde jas.
Hoewel ik aanvankelijk denk dat dit niet gaat lukken, krijgen we haar rechterbeen over de pook getrokken en schuift ze na enkele tellen toch moeizaam op de andere stoel.

Eenmaal voor het huis geparkeerd kom ik erachter waar ze woont, het blijkt in een naburig dorp zo’n 8 kilometer verderop. ‘Mevrouw, ik zal mijn man wakker maken en dan rijd ik u naar huis.’
‘Nee, ik wil naar een dokter, ik heb mijn medicijnen niet gehad..’ zegt ze zwakjes.
Naar een dokter, jeetje, waar moeten we in hemelsnaam heen op dit nachtelijk tijdstip? Wat moet ik doen?
Ineens krijg ik een helder idee: ik kan les pompiers (brandweer) bellen natuurlijk.
De vrijwillige brandweer heeft hier in Frankrijk naast het blussen van branden ook nog de taak om mensen te redden en te vervoeren in hun aangepaste ambulanceauto.
‘Madame, blijft u hier even rustig zitten, ik ga naar binnen om de pompiers te bellen, alles komt goed,’ zeg ik geruststellend.
Binnen is het huis nog steeds warm, stil en vredig. Zowel Henk boven, als de honden voor de kachel zijn in diepe rust. Wat een bizarre situatie!
Ik bel de pompiers en leg het verhaal uit. De man aan de andere kant van de lijn vraagt ons adres en telefoonnummer en belooft dat ze zo snel mogelijk komen.
De pompiers, redders in nood! Het is toch geweldig! Wat zouden we hier in deze verlaten wereld zonder hen moeten, denk ik opgelucht.
Blij dat er hulp komt stap ik weer naar buiten, terug de koude auto in om samen met het omaatje hun komst af te wachten…  



donderdag 10 juli 2014

Het Champagne concert (2)

Voordat we naar de nieuwe feestlocatie gaan wijst de schoondochter ons de weg naar de gîtes zodat we alvast onze spullen daarheen kunnen brengen en ons eventueel wat opfrissen.
Ze hebben het goed geregeld, we krijgen twee zeer comfortabele huisjes op het terrein van een manege, aan de andere kant van het dorp.
De koelkasten zijn rijkelijk gevuld met allerlei sapjes en voor we vertrekken installeren we ons nog even met een drankje op het terras van één van de huisjes.
Aangezien ik door de bubbels toch wel wat licht in m’n hoofd ben, drink ik achter elkaar twee enorme glazen water leeg. Het helpt, tegen de tijd dat het diner gaat beginnen ben ik wel weer opgeknapt.
Het enige wat me nu verontrust is mijn afspraak met de schoondochter dat ik zal gaan waarzeggen vanavond. Ik heb het beloofd maar na deze middag zie ik er nogal tegenop. De gasten die ik tot nu toe gezien heb waren niet bepaald toegankelijk. Niet het chique sophisticated publiek dat ik verwacht had, maar gewoon ‘nuchtere’ plattelandsbewoners, ik moet nog zien dat die open staan voor het kaartlezen.
Ik leg Henk mijn dilemma voor.
“Joh, laat het toch gaan, geniet gewoon van de avond, het is ook jouw uitje!” wimpelt Henk luchtig mijn zorgen weg.
Ach ja, wat zou ik me druk maken, sus ik mijn geweten gesterkt door Henks bemoedigende woorden, laat ik maar gewoon kijken hoe de avond zal verlopen.
“Weet je wat, ik neem m’n kaarten wel mee, maar ik ga me niet in m’n opzichtige waarzegstersjurk vertonen want dan kan ik er niet meer onderuit.”
“Je hebt groot gelijk!” zegt Henk lachend.
Het is tijd om te gaan, de muziekinstallatie moet weer opgebouwd worden.

Bij de Feestlocatie, ook weer een loods boven een wijnkelder, is het nog stil. De Champagneboer doet open, ogenschijnlijk zijn alleen hij en zijn zoon aanwezig.
Pa wijst ons de weg naar een kantine, waar alle tafels al keurig gedekt in lange rijen opgesteld staan. De tafels zelf zien er wel mooi en uitnodigend uit, maar voor de rest is er weer helemaal niets aan aankleding en ambiance gedaan. Nu komt er nog zonlicht het zaaltje binnen waardoor er toch nog wel een warme sfeer hangt, maar als het straks donker is gaat de tl-verlichting weer aan. In een hoek is er plaats vrijgehouden voor het orkest, ook nu is er geen stagelight en zelfs geen podium.
Achter één van de muren horen we toch bedrijvigheid, als ik om het hoekje kijk zie ik een eenvoudige bedrijfskeuken waar koks druk in de weer zijn met de potten en pannen.
Terwijl de muzikanten hun spullen opstellen, lanterfant ik een beetje rond.
Even buiten kijken, weer naar binnen, de deuren die toegang geven tot de cave zijn ook open.
De enorme caves met roestvrijstalen cuvées/ vaten zijn indrukwekkend om te zien.

Rond acht uur ‘s avonds druppelen de eerste gasten binnen. Ze worden opgevangen in de enorme loods waar pa, naast een wand van pallets, klaarstaat achter een tafel met lege glazen. De genodigden voor deze avond zijn duidelijk toch wat belangrijker want nu zijn het wel mooie champagneglazen op een pootje. Behalve het verschil in glazen en het feit dat pa, de Champagneboer je deze persoonlijk aanreikt, staan er nu ook weer obers klaar om je glas te vullen en ook nu wordt er niet op een glaasje gekeken. Er worden nu ook hapjes geserveerd.
Het publiek is misschien dan wel belangrijker maar het verschilt niet veel van wat ik vanmiddag gezien heb.
Ik moet lachen om mijn veronderstelling dat ik naar een super chique Champagnefeest op een  Chateau zou gaan. Champagne hoort in mijn beleving dan wel bij de upper class, maar de producenten zijn toch gewoon boeren, weliswaar Champageboeren maar wel boeren, daar had ik even niet bij stilgestaan.
Niet dat het erg is, dit is ook leuk!
We maken dit als Nederlander toch maar mooi mee. Ik voel me vereerd dat we door deze familie zo hartelijk zomaar tussen hun intimi welkom zijn. Natuurlijk komen de muzikanten om te spelen, maar de schoondochter heeft uitdrukkelijk gezegd dat het voor ons ook een feestje moet zijn.
Dus besluit ik maar weer eens een glaasje te gaan nemen, het kaartlezen wordt toch niets vanavond. De muzikanten komen nu ook de loods in, dit is eigenlijk pas hun eerste moment vandaag om eens even echt lekker ontspannen een glaasje Champagne te drinken. Vrolijk proosten we op dit leuke uitje.
Na een uur staan we nog steeds met z’n allen gewoon in de loods en bij één glaasje is het niet gebleven. De gasten die eerst nog wat bescheiden met elkaar stonden te praten beginnen al luidruchtiger te worden.

Rond half tien gaan we aan tafel. Wij zijn op de achterste rij naast de kinderen en de baby’s gepland. Het is wel goed zo, want ondanks dat de gasten al iets losser zijn door de bubbels blijven ze toch afstandelijk naar ons, hier achter in het zaaltje kunnen we mooi ons eigen feestje hebben.
De muzikanten gaan eerst maar eens een deuntje spelen. De vrouw van de pianist en ik blijven weer samen aan tafel achter. “Nou, zullen we dan maar?” lach ik vrolijk terwijl ik een volle fles Champagne uit de ijsemmer pak.
De verdere avond is vol overdaad aan eten en drinken. De ene fles Champagne volgt de andere, de soort steeds weer passend bij de volgende ‘gang’. Het diner zelf bestaat volledig uit gerechten die geprepareerd zijn met Champagne, van Champagnesausen, tot aan het Champagne ijs toe.
Tussen de gangen door spelen de muzikanten een kwartiertje en dan komen ze weer gewoon aan tafel.
Wij, maar ook de andere gasten in het zaaltje worden steeds vrolijker, iedereen heeft rode koontjes en een lach op het gezicht. En alsof de Champagne nog niet voldoende is, komen er gedurende de avond ook nog gasten, collega wijnboeren, langs de tafels om hun eigen gefabriceerde wijn te laten proeven.
We zitten werkelijk midden in het hart van de wijn- en Champagneboerencultuur, geweldig!
Aan de tafel het dichtst bij het orkest zijn ze begonnen met zingen.
Eén vrouw kan niet meer stoppen en vraagt of ze de zangeres mag vervangen. Dat komt goed uit want die begint moeite te krijgen met haar teksten. De pianist heb ik trouwens ook al vreemde noten horen spelen, maar niemand kan het wat schelen, sterker nog ik denk dat ze het niet eens horen.
De vrouw grijpt de microfoon en zet met haar volksliedjes al zingend de hele boel op z’n kop, bij elkaar inhakend wordt er aan de tafels energiek gedeind en uit volle borst meegezongen.   
Soms komt er een moeder even bij de maxi-cosies, die naast ons op tafel staan, inspecteren of alles nog goed gaat met de baby’s, die trouwens verdacht stil blijven. De kinderen hebben inmiddels hun kleurplaten in de steek gelaten en rennen rondjes door het zaaltje en rondom de tafels.
Iedereen heeft het naar z’n zin en het feest gaat tot diep in de nachtelijke uurtjes door.

De volgende ochtend worden we gewekt door hinnikende paarden die elkaar vanuit hun paardenbox staan te begroeten. Onder ons slaapkamerraam, in de ‘bak’, horen we ook paarden lopen. Er wordt blijkbaar lesgegeven.
“Wat doen die lui al zo vroeg op die paarden,” bromt Henk en grijpt op de tast naar z’n horloge. “Oh, het is half elf Lies, we moeten eruit!”
Rond elf uur zitten we met z’n allen op het terras van onze gîte. Henk heeft koffie gezet.
“Hé, ik heb helemaal geen hoofdpijn!” roep ik verbaasd uit.” De anderen beamen dat ze ook nergens last van hebben, ja gewoon een beetje duf, meer niet.
“Nou, dan moet het toch wel erg goede Champagne geweest zijn! Ongelooflijk ik heb nog nooit zoveel bubbels gedronken!” lach ik vrolijk.
Na de koffie gaan we weer naar de kantine van de eerste loods waar de inauguratie gisterenmiddag begonnen is. Hier zal het ontbijt geserveerd worden.
In de kantine is het een drukte van belang, blijkbaar zijn er veel mensen blijven overnachten.
Er wordt geanimeerd gepraat en gelachen. Ook nu is er weer een overdaad aan eten en drinken en natuurlijk wordt ook de eerste fles Champagne alweer ontkurkt.
Henk en ik proosten samen: “Op la douce France!”
Alhoewel dit begin van de dag alweer neigt naar nog meer feest, houden wij het netjes bij één glaasje. We gaan zo meteen weer terug naar mijn zus.
“Oh, wat jammer,” zegt Roger teleurgesteld, “we krijgen vanmiddag nog een rondleiding door de kelders van het beroemde Champagnehuis ‘Pommery’.”
We zeggen dat we het ook wel jammer vinden om dat te missen maar dat mijn ouders ook speciaal vanuit Nederland naar m’n zus zijn gekomen en dat het wel gezellig is om die ook nog even te zien vanmiddag.
Daarbij weten wij nu al wel dat als we blijven, het straks onverantwoord wordt om nog te gaan rijden, het Champagne aanbod is hier iets te verleidelijk.

Nadat we onze spullen weer in de auto geladen hebben, gaan we nog één keer naar de loods waar ook de anderen nog steeds zijn.
Hartelijk nemen we afscheid van ons Auvergnaanse clubje en de Champagnefamilie.
En dan vertrekken we, met behalve onze spullen ook nog zes dozen Champagne, het gage van de hele band, in de achterbak.
Tijdens de rit zitten we heerlijk na te genieten van het ontzettend leuke weekend tot nu toe.
Ach, we hadden natuurlijk wel langer kunnen blijven maar het is goed zo, zijn we het met elkaar eens. We verheugen ons ook weer op een gezellig bezoek aan m’n zus en haar vriend.
Nog steeds in feeststemming stoppen we een uur later toeterend bij haar huis.
De honden komen vanachter het huis vandaan naar ons toe rennen. Ook zij zijn uitgelaten en vrolijk.
We stappen de tuin in en als we de hoek van het huis omlopen zien we de hele familie keurig rondom een tafel in de tuin zitten.
Koppie thee, koppie soep.
“Hee, Henk en Lies,” zegt mijn moeder blij, “fijn dat jullie er zijn!”
Er worden twee stoelen bijgeschoven en m’n zus vraagt: “Willen jullie ook thee? Of koffie misschien?”





    ____________________________________________________________________________

In 2007 ben ik samen met Henk (contrabassist) verhuisd naar het Franse platteland.
Over deze wonderlijke periode heb ik een boek geschreven:

Ben je geïnteresseerd?  Via deze linken kun je het bestellen:
  Bol.com  
boek € 16,95

  Ebook  
  ebook: €4,99
uitg.: Vandorp educatief/ Grenzeloos
Het verhaal over een waarzegster en een muzikant die samen hun geluk in Frankrijk willen beproeven om daar een centrum voor muziek en levenskunst op te zetten

Als Lies op een avond Henk ontmoet slaan de vonken direct over. Behalve hun artiestenbestaan blijkt al snel dat ze ook hun passie voor Frankrijk delen.
Het begint met dromen over 'later als...' maar hun enthousiasme haalt de droom in. Samen storten ze zich in het avontuur en belanden van het ene toeval in het andere.
Een verhaal vol humor, over passie en durf, dromen en aanpakken, liefde en loslaten maar vooral over verwondering.
Wat kan er veel gebeuren als je gewoon ‘ja’ durft te zeggen! Zij gaan er in ieder geval vanuit dat hun idee fantastisch is en alle gebeurtenissen lijken dit ook te bevestigen…


Deel twee komt uit in september/ oktober 2014

zondag 6 juli 2014

Het Champagne concert

We hebben een uitje!
Henk is gevraagd om op te treden voor een Champagnehuis in de buurt van Reims.
Drie weken geleden belt Roger met de vraag of Henk ook zin en tijd heeft om mee te gaan.
Roger is een bevriende Franse saxofonist waar Henk regelmatig en graag mee speelt. Een lieve man, uitstekende saxofonist maar vooral levensgenieter die het grootste deel van zijn leven door heel Frankrijk heeft rond-geschnabbeld en zodoende dus ‘zo zijn contacten heeft’.
“Het gaat helemaal fantastisch worden!” zegt Roger enthousiast. “We spelen als jazz trio alleen wat tijdens de ‘opening’ van hun nieuwe ‘cave’ en daarna nog wat tijdens het diner.
Maar allemaal rustig aan, het is ook voor ons feest.
Onze partners mogen mee, we krijgen een eigen gîte waar we twee nachten mogen overnachten. Een rondleiding in Reims, door de kelders van het Champagnehuis Pommery. Het gage is niet al te hoog, het beslaat zo’n beetje de reiskosten, maar… we krijgen wel allemaal een doos Champagne mee naar huis.
Dus,” besluit Roger zijn relaas alsof hij Henk nog over moet halen, “het wordt ‘een beetje spelen’ en verder vooral ook voor ons een leuk feest!”
Nou over dit aanbod hoeft Henk niet lang na te denken, natuurlijk wil hij wel mee, zeker omdat ik ook uitgenodigd ben!
Dit is nu het leuke van een muzikantenbestaan, dan kom je nog eens ergens!
“Een Champagnefeest, geweldig”, zegt Henk in z’n nopjes.
Ik zie het ook direct helemaal zitten, wow gaan we naar een Frans ‘upper class’ feest, dat wil ik ook wel eens meemaken!
“Weet je Henk, als het nu toch kennissen van Roger zijn dan kan ik ze ook wel voorstellen om ‘kaart te lezen’ tijdens het feest,” zeg ik enthousiast tegen Henk, “dat is mooi want dan heb ik wat te doen en daar komen vast allemaal chique mensen die ook wel eens een feestje geven. Kan ik mezelf in ‘the picture’ spelen voor vervolgoptredens!”

Toevallig heeft mijn zus ook sinds kort een huis in Noord Frankrijk, zo’n uurtje rijden van onze bestemming en we besluiten om dit concert te koppelen aan een bezoekje aan haar. Dat is ook een geluk want als zij akkoord gaat dan kunnen onze honden ook mee.
Ik stel haar voor dat we een dag eerder komen en vraag aarzelend of de honden dan één nacht bij haar mogen blijven als wij de volgende dag naar het optreden gaan. Ik vind het altijd wel lastig om zoiets te vragen, maar gelukkig vindt mijn zus het geen enkel probleem. “Ja,” zeg ik enthousiast, “dan blijven we nog een paar dagen om je te helpen met klussen!”
Een gezellige en praktische oplossing voor iedereen.
En zo geschiedt het; met een auto vol kleding, slaapspullen, honden, een contrabas en een basversterker reizen we goedgemutst naar Noord Frankrijk.
We hebben een gezellige avond bij m’n zus en haar man en de volgende dag vertrekken Henk en ik om half twee ’s middags, zonder honden, weer terug in zuidelijke richting.

Rond drie uur rijden we het dorpje Chamery binnen. Het is een klein eenvoudig dorp met smalle straatjes, waardoor de protserige grote auto’s die we tegenkomen nog imposanter lijken.
Franse maar ook Nederlandse en Belgische kentekens.
Het adres hebben we snel gevonden.
Ik verwachtte eigenlijk wel een grootse Chateau-achtige locatie, maar onze bestemming blijkt een enorme witte loods te zijn, aan de rand van het dorp. Ogenschijnlijk is er niet veel bedrijvigheid. Moet hier een feest plaats gaan vinden? denk ik verbaast.
Terwijl we de auto parkeren komen, vanuit de Auvergne, Roger en de anderen er ook aan, de band is compleet.
In de loods worden we verwelkomd door een uiterst vriendelijke, wat slonzig geklede rondborstige blonde vrouw van rond de veertig jaar. Ze blijkt de vrouw van de zoon van de champagneboer te zijn. Het is een familiebedrijf. Ze begeleidt ons de trap op naar een kantine boven de enorme hal waar we de hand van haar schoonvader schudden. De sfeer is uiterst gemoedelijk.
Hier boven zijn meerdere mensen aanwezig, sommigen horen duidelijk bij de familie of de organisatie en zijn druk bezig met onduidelijke dingen, anderen hangen wat rondom de tafels en gedragen zich als gasten.
De schoondochter biedt ons wat te drinken aan en verdwijnt weer naar beneden, wij worden, zoals zo vaak in Frankrijk, wat vaag aan ons lot overgelaten.
Na het drankje gaan de muzikanten maar eens kijken waar ze kunnen gaan opbouwen want over een klein uurtje moeten ze al spelen, niemand schijnt zich druk te maken over tijd.

Dit is voor mij als meekomend muzikantenvrouw altijd het ‘vervelendste’ gedeelte van de avond. Het wachten en er maar wat bijhangen. Gelukkig heb ik deze keer een missie, dus ik ga op zoek naar de schoondochter om mijn ‘waarzeg’ voorstel te doen.
Ondanks dat ze niet zo goed weet wat dat ‘waarzeggen’ nu precies inhoudt en ze zich afvraagt of het wel past bij de gelegenheid en de gasten staat ze er toch niet helemaal onwelwillend tegenover.
Ze legt uit dat het inauguratiefeest zal plaatsvinden op twee verschillende locaties.
We beginnen met een apéro met muzikale omlijsting in deze loods. Onder deze loods bevinden zich de nieuwe wijnkelders, waar het hele feest om draait.
De voornamelijk zakelijke relaties, die hier zijn uitgenodigd, krijgen een rondleiding door deze kelders en na afloop de kans om hun dozen champagne in te kopen.
Vervolgens zal een select gezelschap van familie en vrienden, bij elkaar zo’n vijftig man voor het diner naar het oudere keldercomplex komen.  
Ze zegt dat het diner met intimi waarschijnlijk een betere gelegenheid is om iets met het ‘waarzeggen’ te doen, maar ze kijkt er wel bedenkelijk bij.

In de tussentijd is de locatie aardig op orde, maar dat is hier niet zo ingewikkeld. Vanuit mijn ervaring in Nederland ben ik wel gewend dat er feesten in een bedrijfspand worden georganiseerd. De boel wordt vaak zo mooi aangekleed dat je er geen bedrijfspand meer in herkent. Door middel van decor ontstaat er bijvoorbeeld een feestlocatie binnen de bestaande locatie.
Hier niet.
De muzikanten hebben hun instrumenten op het podium geïnstalleerd, er is geen stage light. De loods is sfeerloos verlicht door tl-lampen en er staan enkele tafels met wat zoutjes erop, gewoon zonder kleedje of een gezellig kaarsje. Op panelen, rechts van het podium, is er een soort expositie van foto’s over de familiegeschiedenis en het ontstaan van het bedrijf.
De obers zijn gearriveerd en staan klaar met een fles champagne in de hand, er zijn zelfs ook al enkele gasten aanwezig.
Nou, hier is niets chique ’s of stijlvols aan, stel ik licht teleurgesteld vast.

“Kom, we nemen alvast één glaasje voor we beginnen,” zegt Roger opgetogen.
Bij de ingang staan tafels met lege glazen met de naam van het wijnhuis erop gegraveerd. Geen sierlijke flinterdunne champagneglazen op een pootje maar kleine stevige cilinderglaasjes die zo dienst zouden kunnen doen als waxinehouders.
De bedoeling is dat je zelf zo’n glaasje pakt en de obers komen het vullen.  
De champagne smaakt opperbest, maar vanwege de grootte van het glaasje, één of twee ferme slokken, kunnen de muzikanten vrijwel direct beginnen.
Ze stappen het podium op en ik blijf achter met de vriendin van de pianist, een jonge vrouw van rond de vijfendertig jaar.
Roger heeft als alleenstaande man zijn dochter als introducé meegenomen en die staat ook op het podium, ze heeft aangekondigd dat ze wil zingen.

Terwijl de klanken van het bandje door de ruimte galmen kijk ik om me heen. Het publiek bestaat uit wat grove, eenvoudig geklede plattelandsbewoners. Ondanks dat ik toch vriendelijk knik naar de mensen is het onmogelijk om contact met ze te krijgen.
Wij als meegekomen muzikantenvrouwen vallen behoorlijk uit de toon. Met een schuchter knikje lopen de gasten ons voorbij.
Dit ‘feest’ is totaal niet wat ik me had voorgesteld. Wat een suffe bijeenkomst is het eigenlijk. Gelukkig blijkt de vriendin van de pianist wel ontzettend leuk te zijn en geanimeerd starten we een gesprekje.
Een ober komt langs. Hij wil onze glaasjes vullen maar die hebben we inmiddels weggezet.
Het is een charmante jongeman die ons wat flirterig uitlegt dat het de bedoeling is dat we de glaasjes bij ons houden, zodat hij ze kan vullen. Maar voor ons wil hij wel een glaasje gaan halen. 
Willen wij dat?
Aangezien ik zeker zin heb in een tweede glaasje zeg ik direct “oui”. Maar zo gemakkelijk gaat dat niet voor een Auvergnatse.
Toen wij de jazzclub nog hadden had ik het ook al gemerkt, een Auvergnat zal nooit een ‘direct’ antwoord geven als je hem of haar iets aanbiedt. Ze reageren bijna altijd aarzelend; ‘zal ik wel, zal ik niet’ en uiteindelijk zeggen ze dan, met een gezicht van ‘nou vooruit dan maar, het is dat je zo aandringt’: “Oui un petit verre”…..
In het begin maakte ik de vergissing om dan inderdaad een klein glas te serveren. Maar al snel begreep ik dat dat niet de bedoeling was.
Dus terwijl de ober haar vragend aankijkt begint de vriendin met haar Auvergnatse voordracht kunstje;  in de lucht kijken, weer naar vloer, vaag glimlachen, wat hummen en dan eindelijk met haar blik naar beneden gericht komt er een vaag ‘oui-knikje’.
De ober verdwijnt en even later is hij terug met één glaasje, voor mij. Ik proest het uit als ik het beteuterde gezicht van de vriendin zie.
“Ja, je bent nu in Noord Frankrijk, als je hier iets wilt zul je, net als in Nederland, duidelijk moeten zijn,” grap ik vrolijk.
Snel gaat ze op zoek naar een leeg glaasje en als de ober niet al te lang hierna weer terug is zegt ze volmondig “oui” en reikt hem haar glas aan. Aangezien die van mij al weer leeg is, laat ik deze ook nog maar een keertje vullen.
Echt heel erg druk is het niet maar de obers lopen ijverig rond om iedereen te bedienen, er wordt niet gekeken op een glaasje en aangezien wij een beetje halverwege hun loopje staan, wordt ons glaasje zowel op de heenweg als op de terugweg weer bijgevuld.

De Champagnebubbels beginnen aardig naar ons hoofd te stijgen en de vriendin en ik beginnen het steeds beter naar onze zin te krijgen. Giebelend over de gekke situatie waarin we beland zijn en zeker ook over zo’n overdaad aan Champagne proosten we ondeugend met onze glaasjes naar elkaar en naar de muzikanten die het allemaal met lede ogen aanzien. Het is hun feestje, wij zijn als aanhang meegekomen en staan nu lekker lol te maken en Champagne te drinken terwijl zij daar gewoon op een droogje staan te spelen voor mensen die nog niet eens luisteren.
Oh, denk ik wat lodderig, ik geloof niet dat ik op deze manier straks nog kaarten kan lezen. Shit, had ik nu maar niets voorgesteld.
Na een half uurtje komen ook de muzikanten van het podium, gezamenlijk drinken we nog een glaasje en dan wordt het tijd om naar de volgende locatie te gaan. Zij moeten alle versterkers en instrumenten weer inpakken en die daar zo meteen weer opbouwen. Natuurlijk help ik mee, maar wel met enigszins onvaste tred. Minimaal één fles Champagne heb ik al wel weg gebubbeld en een kleine vermoeidheid begint achter mijn ogen te prikken. "Oops, nu even bij de les blijven Lies," spreek ik mezelf ferm toe, "de avond is nog niet eens begonnen"….  


________________________________________________________________________________

In 2007 ben ik samen met Henk (contrabassist) verhuisd naar het Franse platteland.
Over deze wonderlijke periode heb ik een boek geschreven:

Ben je geïnteresseerd?  Via deze linken kun je het bestellen:
  Bol.com  
boek € 16,95

  Ebook  
  ebook: €4,99
uitg.: Vandorp educatief/ Grenzeloos
Het verhaal over een waarzegster en een muzikant die samen hun geluk in Frankrijk willen beproeven om daar een centrum voor muziek en levenskunst op te zetten

Als Lies op een avond Henk ontmoet slaan de vonken direct over. Behalve hun artiestenbestaan blijkt al snel dat ze ook hun passie voor Frankrijk delen.
Het begint met dromen over 'later als...' maar hun enthousiasme haalt de droom in. Samen storten ze zich in het avontuur en belanden van het ene toeval in het andere.
Een verhaal vol humor, over passie en durf, dromen en aanpakken, liefde en loslaten maar vooral over verwondering.
Wat kan er veel gebeuren als je gewoon ‘ja’ durft te zeggen! Zij gaan er in ieder geval vanuit dat hun idee fantastisch is en alle gebeurtenissen lijken dit ook te bevestigen…


Deel twee komt uit in september/ oktober 2014




woensdag 11 juni 2014

Uit je comfortzone (3)

Die man terug roepen, is het eerste wat in me opkomt. Gehaast spring ik uit m’n auto om hem en zijn dochter achterna te rennen maar zie direct dat dat geen zin heeft, ze zijn al door de draaideuren verdwenen.
Wat nu? Bellen! Zijn nummer staat natuurlijk nog in mijn mobiel, oh als ze nog maar niet weg zijn!
Ik probeer het nummer terug te zoeken maar door de zenuwen druk ik steeds op verkeerde knopjes.
“Ik zie ook niets!” roep ik geërgerd uit en vervloek nu ook mijn ijdelheid want hierdoor heb ik natuurlijk geen leesbril bij de hand.
Terwijl ik zo aan het tobben ben schiet er een ontnuchterend stemmetje door mijn hoofd:
“Wat moet die man nu voor je doen? Het is iemand die met je meegereden is, je kent hem maar amper. Hij is niet verantwoordelijk voor jouw probleem!”
Ik staak m’n verwoede zoekpoging.
Inderdaad, wat heeft die man met mijn probleem te maken, hij en z’n dochter zijn gewoon aangekomen op de afgesproken plaats van bestemming, meer belangen heeft hij niet.

Opeens overzie ik het bizarre van deze situatie en begin te grinniken. “Hoe is het mogelijk, wat een timing!” roep ik verwonderd uit.
Eigenlijk heb ik een ontzettende mazzel gehad, dit had ook onderweg kunnen gebeuren! Dat was pas een ramp geweest. Stel je toch voor dat zij met hun keurige koffers, naast deze oude auto, langs de kant van de péage hadden gestaan.
Ik moet er niet aan denken! Zij reizen nu nietsvermoedend verder en weten niet half aan welk ongemak ze ontsnapt zijn, gelukkig maar!
Maar ondanks dit geluk bij een ongeluk, dringt toch al vrij snel mijn eigen realiteit tot me door. En zeker na de gezellige autorit komt die extra hard aan; zij reizen gemoedelijk door en ik sta hier alleen op het vliegveld ‘Charles de Gaulle’ met autopech en ik zal dit zelf op moeten lossen.

Ik bel Henk om te zeggen dat ik voorlopig nog niet thuis ben. “Ik kan niet meer schakelen net als de vorige keer bij Vichy,” zucht ik mismoedig.
Henk uit een paar hartgrondige vloeken. “Wat een klote situatie! En ik kan weer eens een keer niets doen hier zonder auto, ach Lies toch, ik heb met je te doen!”
“Tja,” antwoord ik gelaten, “Ik ga AXA maar weer bellen, ik houd je wel op de hoogte.”
AXA belooft een dépannage wagen te sturen. Het is twee uur ’s middags en het wachten gaat beginnen.
Ik eet mijn twee meegenomen Nederlandse boterhammen met kaas en beslis dat ik de auto bij een sloop af laat leveren, ik heb er zo vreselijk genoeg van om met deze onbetrouwbare auto te rijden. Dan maar geen auto meer! Okee we hebben geen geld voor een nieuwe maar er zal wel weer een oplossing komen. Alles beter dan dit wrak! 
Ik heb het nog niet gedacht of de telefoon gaat, het is Henk; “Lies, moet je horen!” zijn stem klinkt opgewonden, “Ik heb met Door gesproken en ze heeft gezegd dat ze haar oude auto aan ons wil schenken, is dat niet fantastisch?”
“Wow, ” roep ik verrast uit, “dat is geweldig, wat ontzettend lief van haar!”
Dorien is Henks dochter en heeft onlangs een nieuwe auto gekocht, blijkbaar heeft ze haar oude niet ingeruild en die wil ze nu dus aan ons geven. Maar zo oud is deze auto helemaal niet, het is een zeer goed onderhouden citroen C1, nog maar acht jaar oud, wat een geluk is dit!

Rond vijf uur ’s middags, bijna drie uur later, sta ik met drie zware tassen en een basgitaar die ik eigenlijk in Nederland had willen verkopen, langs de kant van de weg voor het autodepot te wachten op een taxi. De dépanneur is zojuist weggereden, alles is stil en verlaten.
Mijn reisdoel is omgegooid. AXA kan mijn terugreis naar huis niet meer regelen omdat het al te laat is. Volgens hen kan ik onmogelijk de laatste trein naar Vichy van zes uur 's avonds nog halen.
Eigenlijk helemaal niet zo erg want ik kan beter naar Nederland teruggaan om onze ‘nieuwe’ auto op te halen. Nu hoort reizen buiten Frankrijk niet bij de verzekeringsservice, maar tot Lille willen ze wel een ticket voor me regelen.


Twintig minuten later komt de taxi en die brengt me weer terug naar waar mijn ‘pech’ begon; het treinstation van ‘Charles de Gaulle’. Mijn ticket, eerste klas, ligt al klaar bij het loket, maar de trein gaat pas over anderhalf uur. Wachten maar weer.
Het is vermoeiend maar ik kijk wel m’n ogen uit. Wat leuk om weer eens op een station te zijn, ik realiseer me dat het zolang geleden is dat ik met de trein gereisd hebt, nog erger zelfs, er überhaupt één gezien heb. Net zoals reizende mensen, zakenmannen en vrouwen, mensen in chique kleding, stelletjes, ouderen, jongeren, toeristen, mensen uit andere landen.
Door al die afleiding gaat de tijd toch nog betrekkelijk snel en rond zeven uur ’s avonds stap ik in de TGV.
Een uur later kom ik aan in Lille en koop een treinkaartje Antwerpen. In principe kan ik nu over twee à drie uur in Nederland bij m’n ouders zijn.
Maar dat valt tegen! De eerst volgende trein naar Antwerpen gaat pas om tien uur vanavond. Dit betekent dat ik twee uur moet wachten, wat redelijk vervelend is, maar nog erger, dat ik dan pas rond kwart over twaalf in Antwerpen aankom. En dan rijden er dus geen treinen meer naar Nederland.
Stranden in Antwerpen, dat kan er ook nog wel bij, nota bene veertig minuten van mijn eindbestemming. Aangezien ik ook nog eens geen geld heb voor een hotel vrees ik dat ik de nacht op het station van Antwerpen door zal moeten brengen, een niet al te rooskleurig vooruitzicht.
Maar voorlopig ben ik nog wel even in Lille.  

Nu zijn er twee stations in Lille en het blijkt dat mijn trein juist vanaf het andere vertrekt.
“Oh, het is niet zo ver hoor, zo’n tien minuutjes lopen,” zegt  de vriendelijke loketjongen.
Ik sjok onhandig met m’n zware tassen en de basgitaar naar het andere station. Me haasten hoeft niet, dat is dan weer een geluk.
Er is een grote wachtruimte waar ik kan gaan zitten. Wat een dag!
Ondertussen begint de vermoeidheid aardig toe te slaan.
De korte nachtrust, m’n vroege vertrek,  het wachten en het zeulen met de zware bagage en de toch steeds wisselende emoties, beginnen hun tol te eisen.
Ik ben vanochtend pas vertrokken maar ik heb het idee dat ik al dagen onderweg ben.
Wat suf zit ik in de wachtruimte mijn tijd uit. Het is een verloederd gebeuren.
Een tandeloze junk komt naast me zitten en probeert contact te maken. Ik doe net alsof ik heel druk bezig ben met mijn telefoon, pff, daar heb ik even helemaal geen zin in!
Als hij het na een half uur opgeeft en wegloopt, biedt hij me op de valreep nog een slaapplaats aan, als ik die toevallig zoek. Ik bedank hem vriendelijk maar houd resoluut afstand.

Net als ik zo’n half uurtje in de trein zit richting Antwerpen en wat probeer te slapen zodat ik straks de zware nacht kan trotseren, hoor ik de luidspreker kraken en begint een mannenstem in het Vlaams te spreken;
“Dames en heren, in verband met ‘de werken’ aan het spoor zal deze trein niet verder rijden dan Waregem.
Voor de reizigers in de richting van Gent en Antwerpen staan er bussen klaar die u verder zullen vervoeren tot Deinze, alwaar u wederom de trein kunt nemen.”
Hoe is het mogelijk!
Het treinstel met voornamelijk Vlamingen raakt in rep en roer. Wat is dit nu? Verontwaardiging verbroedert direct en iedereen staat wat met elkaar te overleggen wat er nu moet gebeuren.
Een aardig uitziende jongeman, die naar Gent moet, loopt verdwaast door de coupé. Hij heeft vriendelijke ogen. Als de trein stopt vraag ik hem om samen op te lopen. Ik heb de hele week al last van een concentratieprobleem en nu ik ook nog zo moe ben, vrees ik dat ik de verkeerde kant op zal lopen en de bus missen, dat zal je net zien.
Hij draagt m’n zwaarste tas en helpt me instappen.
De bus zit zo goed als vol en wij kunnen nog net een plaatsje bemachtigen bij het draaischarnier van de verlengde bus.
Alsof we achterna gezeten worden scheurt de chauffeur als een razende over de donkere wegen, bij elke bocht draaien mijn tassen en de gitaar alle kanten op, ik heb de grootste moeite om alles bij elkaar te houden.
Waar we precies rijden kan ik niet zien want het regent en alle ramen zijn beslagen.
Waar ben ik nou toch weer in beland, dit bedenk je toch niet?
Rijd ik hier in een aftandse bus te jakkeren over het Vlaamse platteland terwijl ik nu lekker met Henk gezellig bij het open haardvuur zou moeten zitten.
 
Bij Deinze staat een trein klaar en de jongen en ik gaan weer bij elkaar zitten en beginnen een gesprekje. Hij is werkelijk aardig maar een wat vaag figuur is hij wel. Hij spreekt wat zacht en lijzig en natuurlijk Vlaams, soms moet hij ineens zomaar wat grinniken, ik moet erg m’n best doen om hem te verstaan.
Het blijkt dat hij vanuit Calais zwartrijdend aan het terugreizen is. Dat verklaart zijn zenuwachtige gedrag. Hij heeft daar een weekend in een kraakpand tussen illegale vluchtelingen doorgebracht.
Hij is een Belgische vriend die arts is op gaan zoeken. Hij vertelt hoe het leven bij die mensen er aan toe gaat. Dat ze leven in kraakpanden zonder elektriciteit en water, dat er regelmatig invallen zijn van extreem rechtse groepjes die hen molesteren. Maar ook het leven van die mensen zelf, de erbarmelijke omstandigheden waarin ze leven, de risico’s die ze nemen door op de meest onmogelijke en gevaarlijke manieren te proberen naar Engeland over te liften, de verveling omdat ze illegaal zijn en niet mogen werken. Het is een heel erg heftig weekend voor hem geweest, hij is doodop. Wat leuk denk ik, dit is duidelijk een sociaal geëngageerde jongen.
Ook ik vertel hem over mezelf, dat ik in Frankrijk woon maar soms nog in Nederland werk en hoe mijn reis terug naar huis vanmorgen in Brabant begonnen is maar dat deze helaas, zo’n vijftien uur later, jammerlijk op het station van Antwerpen zal gaan eindigen. Bijna weer terug bij ‘af’.

Het microfoontje van de trein begint te kraken en een stem zegt; “Dames en heren, over enkele minuten zal deze trein het station van Gent bereiken. Dit is tevens het eindstation dus wij verzoeken u allen de trein te verlaten.”
“Het is niet waar!” roep ik verbijsterd uit.  
De jongen leeft met me mee en zegt wat aarzelend dat ik anders ook wel bij hem thuis mag slapen.
 “Zo, dat is wel heel erg aardig!” antwoord ik verrast maar ik krijg geen tijd om er verder op in te gaan want juist op dat moment komt een conducteur voorbij lopen. Ik spreek hem aan : “Ik moet naar Antwerpen, hoe moet ik daar nu komen?”
De man kijkt in zijn dienstregeling en zegt: “Er rijden geen treinen meer naar Antwerpen.”
“Ja maar, ik heb hier wel een ticket tot Antwerpen!”
“Ze hadden u vanaf vanmiddag helemaal geen ticket meer mogen verkopen, mevrouw. Zij moesten weten van ‘de werken’! Waar heeft u uw ticket gekocht?”
“Lille.”
“ Ja, dat is Frankrijk hè, die doen maar wat!”
“Maar, in de trein is ook nog door uw Belgische collega’s omgeroepen dat de reizigers gewoon naar Antwerpen door konden reizen,” verdedig ik mijn Franse aankoop. “Ja dat kan ik natuurlijk niet weten mevrouw!”
Ik krijg bijval van de jongen en enkele mensen die ook in die trein hebben gezeten. De conducteur is een vriendelijke man en gaat overstag. “In dat geval heeft u recht op een taxi!” zegt hij resoluut, “Gaat u alvast maar naar het perron, daar loopt mijn collega, hij zal u verder helpen. Ik moet de trein nog afsluiten, ik kom zo ook naar u toe.”

De jongen en ik lopen het perron op. Inmiddels is het ook beter tot me doorgedrongen dat hij me een slaapplaats aangeboden heeft en dat is wel iets aanlokkelijker dan een nacht op het station van Antwerpen slapen of in een verlopen kroeg rondhangen. Of ik nu in Gent strand of in Antwerpen, dat maakt ook niet meer uit.
“Ik zeg hem dat ik van zijn aanbod gebruik wil maken, maar dat ik wel mijn ticket om wil zetten naar morgen, ik heb er per slot van rekening voor betaald!
Een dikke perronchef komt aanlopen. Het blijkt een nogal starre slecht luisterende man te zijn.
Ik leg hem het verhaal uit en zeg dat ik op grond van dit alles recht heb op een taxi, dat ik die niet wil omdat ik besloten heb om bij die jongen te overnachten, maar dat ik dan wel een ticket voor morgen wil.
De perronchef begrijpt het niet. “Nou mevrouw, u heeft geen recht op een taxi , het is u eigen verantwoordelijkheid! U had het moeten weten, die ‘werken’ staan al weken aangekondigd.”
“Ja maar, ik ben Nederlandse en ik kom hier nooit!” werp ik verbaast tegen.   
Hoe verzint die man het!
“Maar ik wil helemaal geen dure taxi,” zeg ik nogmaals, “ als u mijn ticket verlengt dan is het al goed!”
De aardige conducteur komt aanlopen en de perronchef wendt zich tot hem. “Weet jij hier iets van?”
“Ja, deze mevrouw heeft recht op een taxi,” antwoordt de conducteur. De mannen overleggen de situatie.

“Ja maar uh….” probeer ik er tussen te komen.
Ik word genegeerd en de chef pakt zijn portofoon en zegt. “Ja hallo, hier moet een taxi komen voor den Antwerp!” De aardige conducteur zwaait en loopt door.
“Zo dat is geregeld mevrouw,” zegt de perronchef zelfvoldaan over zijn generositeit.
“Ja maar, ik wil helemaal geen taxi!” roep ik uit.
De man negeert me nog steeds. “Zij wil helemaal geen taxi!” herhaalt de jongen in het Vlaams.
Dat heeft effect! 
De man kijkt verbluft, grijpt weer naar zijn portofoon, “Ja hallo, hier geen taxi voor den Antwerp!”
De jongen en ik schieten in de lach. Wat een kolder!
Het duurt hierna nog zeker vijf minuten voor het tot de perronchef doordringt dat ik bij die jongen, hier in Gent blijf slapen en dat ik een ticket wil voor morgen. Maar ik krijg het.
Dit is ook de laatste daad van de man voor vandaag, zijn werkdag zit erop. Gezamenlijk lopen we richting de uitgang van het station.
 “Zo, dat is wel bijzonder attent van u om deze mevrouw een slaapplaats te bieden. Dat zie je niet vaak meer tegenwoordig!” zegt de perronchef complimenteus, “ nou petje af hoor! En dan nog wel aan een Nederlandse!”

De volgende ochtend om acht uur bel ik Henk, “Jij raadt nooit waar ik ben.”
Dat weet hij niet en kan hij ook niet weten, want bij hem lag gisteravond de internet- en telefoonverbinding er weer uit, dus we hebben al een tijdje geen contact meer gehad.
Ik heb hem nog wel een sms gestuurd dat alles in orde was en dat ik vanmorgen zou bellen. Om  niemand wakker te maken als er gebeld zou worden, heb ik vannacht mijn mobiel uitgezet.
“Lies waar ben je dan?” antwoordt hij redelijk ongerust, “Ik heb vannacht geen oog dichtgedaan!”
“Nou, ik lig ergens in Gent in een studentenwoning op een stretcher,” zeg ik zo zacht mogelijk door de telefoon. “In Gent?” roept Henk verbaast uit, “je zou toch naar Antwerpen gaan?”
Ik moet lachen, in gedachte zie ik zijn verblufte gezicht voor me.
“Ja, bij een jong stel, hem heb ik in de trein ontmoet en weet je, zijn vriendin studeert jazzpiano op het conservatorium hier in Gent, is dat niet leuk?”zeg ik vrolijk.
Henk begrijpt, gezien de omstandigheden waar ik in zit, mijn enthousiasme niet helemaal, maar is toch blij dat ik in ieder geval veilig ben en ook nog in een bed geslapen heb vannacht. Ik zeg hem dat ik hem later, als ik weer bij m’n ouders ben bel om helemaal 'bij' te kletsen..
Het jonge stel komt nu ook uit de slaapkamer te voorschijn. We drinken nog gezellig samen koffie, de jongen is inmiddels ook minder vaag, hij moet gisteren ook echt heel erg moe geweest zijn. We praten over muziek en de Belgische spoorwegen. Het meisje blijkt half Nederlands te zijn en heeft een ontzettend nuchtere humor, het is haast te gezellig om te vertrekken. Maar een uurtje later dan ik had gepland maak ik toch aanstalten om te gaan.
Ik nodig ze uit om zeker eens bij mij en Henk in de Auvergne te komen logeren.
We wisselen email adressen uit en zeggen dat we contact houden.
Blij over zoveel hartelijkheid neem ik de tram naar het station. Dit keer gaat mijn reis voorspoedig. De trein naar Antwerpen komt vrijwel direct. In de trein raak ik aan de praat met een vrouw die woont in Gent en  werkt in Antwerpen. Vanwege de basgitaar vraagt ze of ik muzikant ben. Honden, baby's en muziekinstrumenten nodigen altijd uit tot een praatje. Haar zoon is namelijk ook muzikant en daar is ze duidelijk trots op.
Het klikt direct tussen ons en we kletsen honderduit, ook zij heeft weer een opmerkelijk persoonlijk verhaal te vertellen. Ze is bezig een gezondheidscentrum op te zetten en heeft daar aardig wat financiële risico’s voor genomen. Dit is wel spannend maar het is haar droom.
Op het station in Antwerpen geven we elkaar drie wangkussen ter afscheid, we wensen elkaar veel succes met onze plannen en ideeën en beloven dat we contact zullen houden.
De trein naar Breda laat nog wel een uur op zich wachten, maar het deert me niet. Ik voel me een ontzettend gelukkig en bevoorrecht mens.
De laatste vierentwintig uur waren erg vermoeiend maar zeer ontwapenend. Ik heb weer eens gevoeld dat ik prima voor mezelf kan zorgen als de nood aan de man komt maar ook dat er zoveel leuke, hartelijke en lieve mensen zijn, die graag dingen met je willen delen.
Maar je moet er wel voor open staan. Ineens zie ik het heel helder. Als je jezelf veroordeelt of schuldig voelt, gevoelens waar ik de afgelopen week heel erg door werd overvallen, sluit je juist af en verliest het leven zijn glans.


_______________________________________________________________________________

In 2007 ben ik samen met Henk (contrabassist) verhuisd naar het Franse platteland.
Over deze wonderlijke periode heb ik een boek geschreven:

Ben je geïnteresseerd?  Via deze linken kun je het bestellen:
  Bol.com  
boek € 16,95

  Ebook  
  ebook: €4,99
uitg.: Vandorp educatief/ Grenzeloos
Het verhaal over een waarzegster en een muzikant die samen hun geluk in Frankrijk willen beproeven om daar een centrum voor muziek en levenskunst op te zetten

Als Lies op een avond Henk ontmoet slaan de vonken direct over. Behalve hun artiestenbestaan blijkt al snel dat ze ook hun passie voor Frankrijk delen.
Het begint met dromen over 'later als...' maar hun enthousiasme haalt de droom in. Samen storten ze zich in het avontuur en belanden van het ene toeval in het andere.
Een verhaal vol humor, over passie en durf, dromen en aanpakken, liefde en loslaten maar vooral over verwondering.
Wat kan er veel gebeuren als je gewoon ‘ja’ durft te zeggen! Zij gaan er in ieder geval vanuit dat hun idee fantastisch is en alle gebeurtenissen lijken dit ook te bevestigen…


Deel twee komt uit in september/ oktober 2014