vrijdag 18 december 2015

Vive les pompiers! (part 1)


‘Ik ga naar bed,’ zegt Henk terwijl hij sloom opstaat van de bank en naar me toeloopt om me een kus te geven. ‘Je hebt gelijk! Welterusten lieverd, ik kom er zo aan.’
Ik ben ook moe, we hebben de hele dag in de tuin gewerkt, maar ik zit nog zo lekker. De houtkachel brandt behaaglijk en m’n glaasje wijn heb ik zojuist nog eens bijgevuld.
Onze honden Tess en Bobbie, die duidelijk geen zin hebben om de warme plek voor de kachel te verruilen voor hun mand in de koude slaapkamer, houden zich wijselijk slapend. Zachte jazzdeunen vullen de ruimte.
Wat is het leven hier op het Franse 'platteland' toch heerlijk, denk ik tevreden terwijl ik wat dromerig naar de sierlijke vlammendans zit te staren.
Een half uurtje later beginnen m’n ogen te rollen en m’n hoofd te knikkebollen, tijd om ook naar bed te gaan.
Ik kijk op de klok, het is nog maar kwart voor twaalf, eigenlijk nog hartstikke vroeg. De muziek is al tien minuten geleden gestopt, het is nog steeds behaaglijk warm, het enige wat ik hoor is het zachte gesnor van de kachel, het getik van oma’s klok en verder vooral de vredige stilte van ons slapende huis.  
Shit, de honden  moeten er nog uit! Ik sta op en roep de honden, die net als ik met tegenzin voor de kachel vandaan komen om met mij mee de tuin in te gaan.
Het is een maanloze nacht, het is waterkoud, de rivier ruist onrustig en de silhouetten van de bomen om ons heen zijn diepzwart en dreigend. ’s Nachts wordt onze vertrouwde tuin een donker bos, ver van de bewoonde wereld. Brr, hier is het echt nacht!
Ineens begint Tess, die ook niet ver de tuin in durft, te blaffen. Op m’n hoede probeer ik iets in de duisternis te ontwaren, maar ik zie niets, ogenschijnlijk is er niets aan de hand.
‘Kom, we gaan gauw naar binnen hondjes!’ roep ik monter, ‘kom maarrr..’
Snel de deur dicht, lichten uit, naar boven en naar bed.

In de muziekkamer op de eerste etage, aan de voorzijde van ons huis, brandt nog licht en ik zie dat Henk z’n laptop niet heeft afgesloten.
Terwijl ik de klep van de computer dichtdoe, werp ik nog even nonchalant een blik naar buiten waar een eenzame lantaarnpaal het verlaten kruispunt voor ons huis zacht verlicht. En dan slaat mijn hart een paar slagen sneller van schrik.
Midden op het kruispunt staat een auto, doodstil te staan. De lichten zijn nog aan en schijnen een witte lichtbundel de berm in. De deur aan de bestuurderskant staat wagenwijd open. Binnen in de auto brandt licht en de auto is leeg.
Getver wat eng, wat is dit nu weer? Daarom moest Tess natuurlijk blaffen.
Wat heeft iemand nu op dit tijdstip hier voor de deur te zoeken? Het is echt vreemd want ik  zie ook niemand.
Om het wat beter te kunnen bekijken open ik het raam en aanvallend roep ik wat dreigend met een stoere stem: ‘Qui est là!?’
Er komt geen antwoord, maar ineens zie ik op de grond in de schaduw tussen het portier en de auto iets zwarts in beweging komen.   
Verrek daar ligt iemand op de grond naast die auto, denk ik verbaasd. ‘Qu’est-ce-que vous faites là-bas?’(wat doet u daar?) roep ik nog steeds wat dreigend maar toch ook enigszins ongerust.

‘Je suis handicapééé, je suis handicapéééé, aidez-moi’ hoor ik een oudere vrouwenstem bibberig uitroepen.
Shit ik moet iets doen, maar wat als het een valstrik is?,denk ik toch een beetje in vertwijfeling.
Sinds de twee inbraken in ons café enige jaren geleden, kan mijn fantasie nog wel eens met me op de loop gaan, zeker als het donker is, maar ik verman me. ‘Kom op niet zeiken Lies,’ spreek ik mezelf heldhaftig toe, ‘er is iemand in nood en het is in ieder geval een vrouw! Ik neem aan dat er geen roverbende verstopt zit achter de bosjes.’
De honden rennen blaffend met me mee het kruispunt op.
‘Wat is er aan de hand? Waarom ligt u hier naast de auto?’ vraag ik ongerust.
‘Aidez-moi, je suis handicapés,’ zegt de vrouw nog steeds met een bibberig stemmetje, ‘ik kan de auto niet meer inkomen.’ De honden lopen onrustig en nieuwsgierig rond de auto.  
‘Wacht even, ik help u zo, even de honden binnen opsluiten,’ zeg ik gehaast.
 
Ze is maar een klein vrouwtje, maar ze is behoorlijk aan de maat. En terwijl zij zich probeert op te hijsen aan de stoel en de deurpost, probeer ik haar aan haar dikke jas omhoog te trekken en haar tegen haar kont de auto in te duwen. Maar echt handig gaat het niet vanwege haar zwaarlijvige en weinig flexibele postuur en de autodeur die in de weg zit.
Haar jas en broek voelen klam en koud aan, haar handen zijn verkleumd.
‘Ik heb in m’n broek geplast,’ stamelt ze beschaamd. ‘Geeft helemaal niets hoor, madame,’ antwoord ik geruststellend.
Na enkele minuten sjorren, duwen en trekken zit ze hijgend klem achter het stuur. Ik ga aan de andere kant naast haar zitten. Nu zie ik haar pas echt goed. Het is een klein dik propje, vriendelijk vollemaansgezicht, kort grijs krullend haar en een rond zilverkleurig brilletje.
‘Ach mevrouw, wat is er toch allemaal gebeurd?’ vraag ik medelevend maar inmiddels ook erg nieuwsgierig.  
Wat doet zo’n lief oud omaatje, in hemelsnaam op dit tijdstip liggend náást haar auto voor onze deur; een plek in the middle of nowhere? Hoe lang ligt ze hier al in die kou? Bizar, terwijl ik eigenlijk maar zo’n tien meter van haar vandaan op de bank zat.
Ze is helemaal overstuur en praat verward van de hak op de tak: ‘Merci beaucoup madame, ik was bang dat God me kwam halen, niemand hielp me, ik riep en riep…, er kwamen twee auto’s voorbij en die reden gewoon door, ik ben verdwaald, ik ben ziek, ik heb diabetes, ik moet naar een dokter.’
‘Ach arme vrouw,’ leef ik mee.

Een auto passeert en ook deze rijdt met een stevige vaart gewoon door. Shit we moeten hier van dit kruispunt af, denk ik ineens praktisch, het is niet druk, maar toch gevaarlijk.
Maar hoe? De vrouw zit nu gelukkig weer in de auto, maar wel aan de verkeerde kant. Zij kan onmogelijk nog rijden en uitstappen en even omlopen zit er ook niet in.
Ik leg haar uit dat ik de auto veilig voor ons huis wil parkeren en dat ze dus van haar stoel af moet.
Ze begrijpt het, ik stap uit en moeizaam probeert zij haar rechterbeen over de versnellingspook te tillen. Wat een ramp, als een sausijsje zit ze klem achter het stuur, ik sleur weer aan haar arm en de kraag van haar gewatteerde jas.
Hoewel ik aanvankelijk denk dat dit niet gaat lukken, krijgen we haar rechterbeen over de pook getrokken en schuift ze na enkele tellen toch moeizaam op de andere stoel.

Eenmaal voor het huis geparkeerd kom ik erachter waar ze woont, het blijkt in een naburig dorp zo’n 8 kilometer verderop. ‘Mevrouw, ik zal mijn man wakker maken en dan rijd ik u naar huis.’
‘Nee, ik wil naar een dokter, ik heb mijn medicijnen niet gehad..’ zegt ze zwakjes.
Naar een dokter, jeetje, waar moeten we in hemelsnaam heen op dit nachtelijk tijdstip? Wat moet ik doen?
Ineens krijg ik een helder idee: ik kan les pompiers (brandweer) bellen natuurlijk.
De vrijwillige brandweer heeft hier in Frankrijk naast het blussen van branden ook nog de taak om mensen te redden en te vervoeren in hun aangepaste ambulanceauto.
‘Madame, blijft u hier even rustig zitten, ik ga naar binnen om de pompiers te bellen, alles komt goed,’ zeg ik geruststellend.
Binnen is het huis nog steeds warm, stil en vredig. Zowel Henk boven, als de honden voor de kachel zijn in diepe rust. Wat een bizarre situatie!
Ik bel de pompiers en leg het verhaal uit. De man aan de andere kant van de lijn vraagt ons adres en telefoonnummer en belooft dat ze zo snel mogelijk komen.
De pompiers, redders in nood! Het is toch geweldig! Wat zouden we hier in deze verlaten wereld zonder hen moeten, denk ik opgelucht.
Blij dat er hulp komt stap ik weer naar buiten, terug de koude auto in om samen met het omaatje hun komst af te wachten…  



vrijdag 5 juni 2015

Afscheid van Marjolein

Toen ik Marjolein zo’n 30 jaar geleden ontmoette woonde ze in Geertruidenberg samen met Frans, de saxofonist waar ik les van kreeg. Ik woonde ook samen, met Frank in Lage- Zwaluwe. Hoewel ik Marjolein al direct aardig vond was ons contact oppervlakkig. Soms spraken we elkaar op een verjaardagsfeestje van Frans.

Onze vriendschap ontstond pas toen ik haar zo’n vier jaar later op een middag in Breda tegenkwam. Marjolein had niet lang daarvoor haar relatie met Frans beëindigd en ik die met Frank.  Zij woonde nu in een leuk flatje midden in de binnenstad en ik woonde samen met mijn dochtertje Sofie in een gekraakt schoolgebouw.
De vonk sprong direct over en we werden vriendinnen.


Uiterlijk hadden we heel verschillende levens maar innerlijk hadden we veel overeenkomstige ideeën en interesses, maar het meest overeenkomstig was denk ik dat we allebei, ieder op onze eigen manier, excentriek waren in de keuzes die we maakten.
Alleen het verschil waarop zich dat uitte was op dat moment tegengesteld. Waar ik me afzette tegen van alles, maar vooral een burgerlijk leven, probeerde Marjolein het juist zo goed mogelijk te doen.
Marjolein wilde vastigheid, een gezin, goedkeuring. En dat kreeg ze! Ze ontmoette Jan, ze trouwden, kochten een mooi huis en niet snel daarna werd Koen geboren, haar mooiste cadeau in het leven! Het huwelijk leek ook zo mooi maar hield geen stand. Marjolein ging door een diep dal, maar krabbelde weer op.
En zo waren we ineens beiden alleenstaande moeders. Hierna werd onze band pas echt hecht.

We deelden ons verdriet over de liefde, ons ideaalbeeld dat aan diggelen lag, de teleurstelling daarover, we deelden de perikelen rondom het moederschap, maar we filosofeerden ook over het doel van het leven, wat we wilden bereiken, onze idealen. Want naast onze heftige ervaringen was het toch vooral de positieve levenshouding en vrolijkheid die ons bond. Samen konden we ontzettend lachen en giebelen, om de gekke dingen die we meemaakten, vooral door onszelf veroorzaakt, we bekenden elkaar de fouten die we maakten, de ondeugd.
Dacht ik aan Marjolein, dan belde zij, en andersom was dat ook zo, dat vonden we beiden heel speciaal.

Er kwamen nieuwe liefdes in Marjoleins leven en ook in die van mij. Ook andere bezigheden. Ik verhuisde naar Amsterdam en later naar Frankrijk, zij naar Rotterdam en weer terug naar Breda.
Natuurlijk werd ons contact hierdoor minder frequent, maar dat gaf niets… tussen ons zat het toch wel goed!
De toon in onze vriendschap was gezet; als wij samen afspraken kwam er niemand tussen, dan was het quality time tussen vriendinnen!
Zo was mijn vriendschap met Marjolein, maar ik weet zeker dat veel mensen die haar kennen, eenzelfde soort ervaring hebben gehad.
Want Marjolein was een mensen-mens, ze was lief, spontaan en hartelijk, betrokken, openhartig, loyaal, royaal, attent en hulpvaardig.

Als ze dit zou horen, zou ze wat verlegen gaan grinniken, zouden haar ogen ondeugend gaan fonkelen en zou ze er met en schalks lachje aan toevoegen dat ze ook best een draak kon zijn… en dat geloof ik wel!
Marjolein had ook een verbeten kant, ze kon ongelooflijk ruimdenkend zijn ten aanzien van anderen, terwijl ze vaak erg streng was voor zichzelf. Werd het haar allemaal teveel dan gingen de luiken dicht en verschanste ze zich in haar eigen binnenwereld, dan was de verbinding verbroken. Die diepgewortelde innerlijke strijd, dat zoeken en toch niet vinden is voor mij altijd een mysterie geweest. Voor mij was ze een mooie, prachtige en krachtige, wijze vrouw. Waarom kon ze niet wat meer in zichzelf geloven? Ik zal het nooit weten.

Lieve Marjolein, ik wil je bedanken voor je vriendschap en liefde! Je was me heel erg dierbaar, m’n vriendin-zus.
Samen zijn we zoveel levensfasen doorgegaan, ik had je zo graag nog heel lang om me heen gehad. Alles is anders gelopen, je ziekte nam de overhand, je kon niet meer genezen. Ik hoop nu alleen maar dat je rust en vrede hebt gevonden.





maandag 16 maart 2015

In verwarring...


Als ze nu zouden zeggen dat ik veertig word over een paar maanden zou ik het direct geloven. Zo voel ik me geestelijk ook;  niet meer helemaal piepjong, maar toch nog wel genoeg jong om de wereld aan mijn voeten te hebben. Natuurlijk met onzekerheden over het feit dat ik nu toch echt een veertiger ben, wat best ‘oud’ klinkt.
Misschien ook wel met de lichte vertwijfeling of ik maatschappelijk gezien op het juiste pad ben, maar ‘allez, soit!’, dat komt wel goed. Als ik eerlijk ben is er niet echt verschil tussen de dertiger en de veertiger. Het zit gewoon tussen je oren en als ik nu maar door blijf sporten blijf ik er ook nog gewoon goed strak uit zien. Geen vuiltje aan de lucht dus.

Maar niemand haalt het in z’n hoofd om te zeggen dat ik veertig word en dat is logisch want ik word helemaal geen veertig dit jaar, ik word vijftig!
En hoewel ik me zo helemaal niet voel is het me blijkbaar toch aan te zien.
Het sporten heeft niet meer het gewenste resultaat, hoewel ik eerlijkheidshalve toe moet geven dat het regelmatige sportschema al een tijdje uit mijn systeem is verdwenen.
Ook word ik al een behoorlijke tijd met ‘u’ aangesproken. Het is een vreselijk cliché maar ik kan er nog steeds niet aan wennen.
Vooral omdat ik schaamtevol moet erkennen dat de gewenste levenswijsheid die naar mijn mening hoort bij een persoon die aangesproken wordt met 'u', bij mij ver te zoeken is.
Het ‘ouder en wijzer’ worden wil bij mij niet erg vlotten. Sterker nog, de laatste jaren staat mijn leven meer dan ooit op z’n kop door zekerheden die toch niet zo zeker bleken te zijn.
Maar sinds enkele maanden ben ik een beetje de kluts kwijt. Het lijkt wel alsof alles anders is.

Het begon eigenlijk na mijn boekpresentatie vorig jaar in oktober. Ik sloeg er nog niet echt acht op want ik had toevallig aardig wat werk als waarzegster in Nederland, dus het was sowieso hectisch vanwege het heen en weer reizen tussen Nederland en Frankrijk. Maar toen ik in december gewoon rustig achter mijn pc kon gaan zitten om weer lekker te schrijven, realiseerde ik dat het volkomen leeg was in mijn hoofd.
De verhalen waren weggevlogen en eigenlijk weet ik zelfs nog precies het moment waarop dat was gebeurd. Het was na de laatste regel van mijn boek. Ik drukte met mijn pijnlijke rsi arm op ‘opslaan’ en dacht: en nu weet ik geloof ik niets meer. Het was een vreemde onwezenlijke gedachte, eigenlijk meer een gevoel, een leeg gevoel.
Maar er gebeurden meer onwezenlijke dingen; ik kreeg haast geen reacties op m’n boek, zelfs niet van vrienden. Wat betekende dat? Was het boek niet goed? Was het misschien allemaal een te egocentrisch gebeuren? Een verhaal dat je misschien op een avondje eens tegen vrienden vertelt maar waar je niet zo’n hele boekheisa van maakt. Tja en dan die blogverhaaltjes: wie zit daar nu eigenlijk op te wachten?
Nou en dan gaat het snel bergafwaarts, dit soort gedachten zijn ‘dodelijk’ voor je creativiteit! Waarschijnlijk was ik gewoon moe en had ik op vakantie moeten gaan.

Maar dat deed ik dus niet! En zo belandde ik elke dag plichtsgetrouw achter mijn computer om vervolgens vast te stellen dat ik niets te schrijven had. Wat niet zo goed was voor mijn zelfvertrouwen. Ik begon me paniekerig af te vragen of dit nu het beruchte schrijversblok was.
Om mezelf af te leiden, ging ik steeds meer op facebook zitten koekeloeren. Dat was niet slim, want het werkt verslavend.
Hierdoor stond facebook de hele dag 'open' en vulde het mijn lege hoofd met wereldse zaken: Charlie hebdo, Syrie, Monsanto, zelfverrijking van de meest rijken op aarde, onheil, onrecht en vooral ook veel dierenleed. Ellende, ellende, ellende.
“Oh Henk, ik kan geen zielig dier meer zien!” zei ik met buikpijn en met tranen achter m’n ogen, van weer een gruwelijke foto. “Ik word er zo verdrietig van, wat is er toch allemaal aan de hand in de wereld?”

Een vriendin belde: borstkanker. Een andere: baarmoederkanker. Een vriend kwam terug van vakantie met darm- en leverkanker. Ik had net de petitie getekend tegen de zweepslagen van die leuke jonge blogger in Saoedi Arabië. Het werd een beetje teveel.
Ik wilde goed en wijs reageren, een mooie kaart sturen met opbeurende en wijze woorden maar het lukte niet, bellen durfde ik al helemaal niet want mijn inmiddels volle wereldse hoofd was niet in staat om iets zinnigs uit te brengen.
Het was volgelopen met machteloosheid en mijn hart was ondertussen hypergevoelig. Die twee versterken elkaar nogal.

“Dat is de leeftijd Lies!” zei Henk om mijn gepieker wat te relativeren. “Ik was rond mijn vijftigste ook veel gevoeliger en wat in de war, dat hoort er gewoon bij!” Lief, maar  ook met een plagende blik keek hij me aan, “en vergeet niet dat je natuurlijk ook tegen de overgang aanzit.”
“Ja, jij wilt me gewoon ‘oud’ hebben, net als jij!” riep ik opstandig uit, maar diep van binnen wist ik het ook wel. Ik word inderdaad ouder, vijftig wel te verstaan!
Gelukkig kwam er in februari een opdracht die de vicieuze cirkel waarin ik was beland doorbrak. Ik kreeg via een vriend de opdracht om drie stripboeken vanuit het Frans in het Nederlands te vertalen. Sindsdien zit ik weer anders achter de computer. Ik heb werk!
En ik vind het nog ontzettend leuk ook, ik ben weer met taal en een verhaal bezig.
Natuurlijk check ik ergens op de dag nog wel eens even facebook, maar ik ben er niet meer door geobsedeerd, ik heb er ook geen tijd voor. Bijkomstig voordeel is dat ik nu ook even niet na hoef te denken over het feit dat ik eigenlijk weer eens een verhaal moet schrijven, ik heb gewoon werk te doen.

Langzamerhand begin ik weer een beetje bij mezelf te komen, te ontspannen. Ik zie heus al het leed nog steeds aan me voorbij trekken, maar ik ben er iets minder door van slag.
Natuurlijk heb ik maar een klein en onbeduidend leventje ergens op het Franse 'platteland', zeker in vergelijking tot de indrukwekkende wereldse zaken die genadeloos om me heen woekeren. Maar gelukkig kan ik het nu iets beter relativeren. Dit leven is ook realiteit!  
Vanochtend, bij het opstaan, was het er weer, de positieve luchtigheid en de zin om te schrijven.
"Oh wat fijn, de inspiratie is teruggekomen!" riep ik enthousiast tegen Henk.
En terwijl ik nu na zes maanden ijverig zit te typen, hoor ik via facebook een geluidje. Toch nieuwsgierig kijk ik even snel wat er gemeld wordt.
'Liesbeth je wordt genoemd', zegt een pop-up.
Ik open het scherm en er staat: Liesbeth Arts we missen je verhaaltjes….

woensdag 5 november 2014

La Guinguette Hollandaise

Amsterdam

“Ik wil niet meer wonen in dit rotland,” foetert Henk naast mij in de auto, “wat een zootje! Dit is toch niet normaal? Dat mensen hier kunnen leven? En Amsterdam is echt al helemaal niks!”
Natuurlijk komt dat er ook altijd achteraan. Sinds de knieval die hij anderhalf jaar geleden gemaakt heeft om als onvervalste Rotterdammer bij mij in Amsterdam te komen wonen, kan hij het niet nalaten om als de kans zich voordoet, mij dit soort ongemakken direct onder mijn neus te wrijven.
“Leuk thuiskomen zo!” komt er nog cynisch achteraan.
Normaal gesproken voel ik altijd de drang en morele verplichting om tegen dit soort ongenuanceerde tirades in te gaan en zeker als hij over mijn geliefde Amsterdam begint, maar dit keer ben ik het volmondig met hem eens. “Inderdaad,” zucht ik, “dit is echt niet leuk meer, poeh ik ben moe en wil naar bed!”

We cirkelen al twintig minuten door mijn Amsterdamse buurtje en hebben nog steeds geen parkeerplaats gevonden. Twintig minuten is lang maar zeker als het twee uur ’s nachts is en je net een reis van achtenhalf uur achter de rug hebt. Het verschil is ook een beetje groot.
Vanmiddag zaten we nog lekker in onze Franse tuin, lekker zwoel nazomerweer. Nog even de geraniums water gegeven en de buitenkeuken opgeruimd, wat gedronken en toen relaxed de auto, die gewoon naast het huis stond, ingeladen voor vertrek. Als laatste nog de luiken gesloten en rijden maar. Negenhonderdvijftig kilometer voor de boeg. Dag huis, tot over twee weken. Ik heb altijd al heimwee nog voordat we vertrokken zijn, wat een mooie en heerlijke plek hebben we toch!

Tja, en dan kom je aan in Amsterdam! Direct stress. Waar kunnen we parkeren?.
De wijk is rustig en in slaap en het staat echt helemaal vol met auto’s, ze staan zelfs op de stoepen. Maandagnacht, de kans dat er nu nog iemand vertrekt is klein.
Ondertussen zijn we al redelijk ver van ons huis afgedwaald, dus dat wordt weer zeulen met tassen. Het enige voordeel is dat Truc dan wel al uitgelaten is, dat scheelt weer.
“Hee, daar gaat een auto weg.” Henk wijst naar achter in de straat.
Nog een grote ook, zie ik als we eraan komen, wat het inparkeren van onze stationwagen makkelijker maakt. Hebben we toch nog geluk.  
Poeh, dat hebben we gehad, over naar stressfactor twee, hoe gaan we het huis aantreffen?

Sofie, mijn dochter van achttien jaar vindt het heerlijk die weekenden alleen thuis als wij in Frankrijk zijn. Maar de etage waarvan Henk en ik geprobeerd hebben om een gezellig en opgeruimd woonhuis te maken, wordt zodra wij gevlogen zijn, natuurlijk direct ook ontvangstruimte voor haar vrienden. Ontzettend leuk allemaal, maar zonder ouders in huis, kunnen dit soort gezellige onderonsjes nog wel eens uit de hand lopen, is in het verleden gebleken.
Het huis is stil als we binnenstappen, het is zelfs nog redelijk opgeruimd. Ze begint toch echt ouder te worden, denk ik tevreden. Als buurmannetje morgen nu ook nog niet klaagt dan is alles goed.
“Hè hè,” zucht Henk, “we zijn er, “zullen we nog één drankje doen Lies?”

Na het wijntje klimmen we vermoeid en wat stram van de lange reis, het smalle trapje van ons ‘bed in de lucht’ op. Dit bed van éénmetertwintig breedte ligt klem tussen twee muren. Naast het matras hebben Henk en ik aan beide kanten nog een verhoogd randje van twintig cm breedte voor boeken. Het paste allemaal net, qua hoogte kunnen we er zelfs nog in zitten.
“Toch wel knus hè Henk?” grap ik als we ons onhandig in bed gewurmd hebben.
Henk kan er niet om lachen. “Ach arme man,” plaag ik door, “dat je dit op jouw leeftijd toch allemaal nog mee moet maken.”  Henk hoort het al niet meer, hij slaapt.
Ik kijk nog even tevreden om me heen. Ja, het is ook wel een groot verschil, ons huis in Frankrijk is vijf keer zo groot als deze etage. Vergeleken met dat huis, slapen we hier in een soort kast. Toch houd ik van mijn Amsterdamse huisje, ik zal het ook missen als ik hier niet meer woon.   



Ben je benieuwd naar het vervolg? Mijn boek 'La Guinguette Hollandaise, de toon is gezet' is nu te bestellen of te koop in de boekwinkel

 



Boekpresentatie 'La Guinguette Hollandaise


De boekpresentatie..... het was fantastisch!!!!!






La Guinguette Hollandaise
schilderij en compositie door: Henk Arts

Een oude boerenschuur op het Brabantse platteland...
In afwachting van publiek
Uitgever Eric-Jan van Dorp in gesprek...

Familie... Marijn Valk (neef) Moeders op de voorgrond

Ik in gesprek met Geert Scheygrond en viendin Jenny (personages in het boek)


Henk Arts

Jan Willem (personage boek)

Muzikanten: Johan Clement, Arno van Nieuwenhuize, Henk Arts





Sessie met: Stormvogel, Jeroen Pek, Barend Petersen, Victor Borkent, Sjoerd PLak.
Foto onder: ook nog met Arno van Nieuwehuize en Dirk Stolk



Jeroen Pek en Jan Willem van Opstal


Ik zing ook nog een deuntje mee.....










Arno van Nieuwenhuize en Henk Arts (Drums and Bass)


Verslag van Jan Willem van Opstal over deze middag......

Boekpresentatie Liesbeth Arts, La Guinguette Hollandaise

13 oktober 2014 om 15:38
Het was erg bijzonder. Prachtige locatie, mede door 't mooie weer. Een schitterende omgeving, die ik goed heb kunnen beleven. Ik had vandaag gekozen voor het openbaar vervoer. De bus ging echter niet verder dan Made, want het was zondag. Dat is OV logica. Ook had ik, naar het schijnt, van tevoren een belbus moeten bellen. De zeer vriendelijke chauffeuse was zo aardig, omdat ze hoorde dat ik naar Drimmelen moest, me nog een stukje verder te brengen dan de eind-halte bij het stadhuis, maar 't zou vanaf daar volgens haar nog zeker een uur lopen zijn. En dat klopte.

Tijdens de wandeling van Made naar Drimmelen, en het prachtige fiets-en wandelpad van Drimmelen naar Oud-Drimmelen, heb ik genoten van de prachtige omgeving. Een route die achteraf 4 km om was, dus ik had bijna op tijd kunnen zijn. Met een accordeon op de rug en een gitaar in de hand, kwam ik zo ook weer aan mijn broodnodige lichaamsbeweging toe. Een zogehete win-win situatie.

Eenmaal aangekomen heb ik genoten. Sowieso al van het weerzien van Liesbeth en Henk. Vervolgens ook nog eens van de hoogstaande muziek, had ook niet anders verwacht in het gezelschap van Henk. Tot mijn grote genoegen kwamen ook Jenny en Geert, in het boek de geluidstechnicus Gerrit genaamd, een bijnaam die hij aan onze gitarist Pim te danken heeft. Geert Scheijgrond, die nog altijd toert met Thijs van Leer en Focus was nog net in Nederland. Binnenkort begint er weer een tour waarbij Zwitserland, Duitsland en Engeland worden aangedaan, Mexico en Brazillië zaten er al weer op en waren zeer indrukwekkend geweest.

De sfeer was geweldig, de zoon van de uitgever bleek een prima gastheer in spee, en een prima barman. Liesbeth was gepast zenuwachtig en deed een leuke voordracht waarbij ze voorlas uit haar kersverse boek, nadat Henk met een aantal begenadigde Jazz muzikanten, een speciaal muziekstuk getiteld "la guinguette Hollandaise" had gespeeld. Ik vond het zowaar spannend om na deze muzikanten zelf te gaan spelen. Eén van hen, de fluitist Jeroen Pek, speelde spontaan mee op diverse (dwars)fluiten en een zeer bijzondere mengvorm van een kazoo en een dwarsfluit met een zeer eigen geluid. Gelukkig was het merendeel van het publiek aandachtig en enthousiast. Zeker degenen die wisten dat ik, en de liedjes die ik zong, ook onderdeel zijn van het zojuist gepresenteerde boek.

Vanmorgen heb ik de hoofdstukken die daar over gaan met veel plezier gelezen. Erg leuk om zo vanuit iemand anders perspectief je eigen geschiedenis te lezen. En knap en fijn leesbaar geschreven. Eigenlijk gewoon zoals ik Liesbeth ken. Recht voor zijn raap, geen blad voor haar mond, annalytisch, vertederend en eerlijk. Ik verheug me nu nog meer op het lezen van deel één en de rest van boek twee en eigenlijk ook al op het vervolg daarvan. Dus Liesbeth: "Werk aan de winkel."Tot mijn grote genoegen wilde Geert en Jenny me op de terugweg een lift aanbieden en hebben ze me na een gezellige rit met vooral vakantie anecdoters, zelfs helemaal voor mijn deur afgezet. 
Jan-Willem laat zijn hond uit (passage in het boek)


dinsdag 21 oktober 2014

Een RSI arm

Het is eind juli 2014.
Als ik de telefoon opneem blijkt het Thierry te zijn.  “Bonjour bonjour Lisbeth, comment tu vas?” Klinkt het zangerig door de telefoon.
“Hé Thierry, ça va bien, et toi?” antwoord ik vrolijk.  Dit zijn telefoontjes waar ik blij van word, Thierry kan voor mij niet vaak genoeg bellen.
Er volgt een hartelijke begroeting waarbij van beide kanten aardigheidjes uitgewisseld worden en dan wordt het tijd om ‘au point’ te komen, want Thierry is de baas van een Frans organisatiebureau, dus als hij belt gaat het om werk.
Ik ben ontzettend blij met dit contact, want ondanks dat waarzeggen in Nederland redelijk bekend en zelfs een tijd erg populair is geweest in de entertainmentwereld, zijn de Fransen een stuk terughoudender. Maar Thierry ziet mogelijkheden en is druk bezig om mij de Franse markt in te lanceren.

Toen we elkaar ontmoetten zo’n anderhalf jaar geleden, heb ik hem uitgelegd hoe ik als waarzegster te werk ga en in mijn enthousiasme heb ik toen maar meteen verteld dat ik ook workshops geef.
Hij was er direct in geïnteresseerd en nam het zelfs op in het promotiemateriaal van mijn ‘act’.
Aangezien ik de laatste tijd erg druk ben met schrijven, dacht ik eigenlijk al niet meer aan de Franse workshop.
Maar nu heeft Thierry dus een optie voor me, over twee maanden, half oktober in Arras, noord Frankrijk.
Ik reageer enthousiast vanwege de aanbieding, maar van binnen slaat me de angst om het hart.
Het lesmateriaal is volledig in het Nederlands daar heb ik niets aan, ik zal alles eerst moeten vertalen, en een workshop geven in het Frans is toch nog wel even iets anders dan een beetje leuk orakelen op een bedrijfsfeest. De cursisten zijn boekhouders, ook dat nog!

Maar de grootste stressfactor is dat ik eind augustus een deadline heb voor m’n boek, dus ik heb helemaal geen tijd om met die cursus bezig te zijn.
Dit alles werp ik vertwijfelt op, stiekem hopend dat ik eronder uit kan komen. Thierry begrijpt me goed en zegt dat er eventueel ook een mogelijkheid is dat ik gewoon als waarzegster werk maar dat de voorkeur uitgaat naar de workshop. Ik vraag bedenktijd en beloof om de volgende dag terug te bellen.
’s Avonds bespreek ik het met Henk, maar eigenlijk weet ik het al, ik moet het gewoon doen. Ik zou echt een sukkel zijn als ik deze kans liet lopen.
De volgende dag bel ik Thierry en zeg dat ik akkoord ga.
“Ach,” zegt hij, “het is nog een optie hoor, dus neem nu eerst de tijd voor je boek en de deadline.  Als de optie door gaat heb je hierna nog een maand om aan de vertaling te werken, dat zal toch wel lukken?” Ik geef toe dat het waarschijnlijk wel gaat en hij belooft om het werk te corrigeren, voordat ik er definitief een boekwerk van maak. Perfecte afspraak.

Inmiddels is het drie weken later en vullen mijn dagen zich met schrijven, de deadline komt steeds dichterbij en het valt tegen. Het is mijn eigen schuld, ik heb te lang gewacht, ik dacht dat ik die laatste hoofdstukjes wel even ‘snel’ op papier zou zetten aangezien ik al wist hoe ik zou gaan eindigen. Het is alleen nog maar een kwestie van typen. Nou dat valt tegen! Een eind breien aan een boek is niet eenvoudig en misschien ben ik bij deze hoofdstukken nog wel kritischer dan bij de rest van het boek.
Kortom stress. Ik slaap slecht, ga dan m’n bed maar weer uit om weer wat te schrijven en rond zeven uur duik ik, op van vermoeidheid, weer terug m’n bed in om rond tien uur aan de koffie met Henk alleen nog maar te kunnen praten over m’n boek, waarna ik weer achter de pc duik.
Henk is wederom erg lief voor me en heeft alle zorgtaken en het huishouden tussendoor op zich genomen en heeft zelfs ook nog het geduld om mijn eenzijdige interesse en gespreksstof aan te horen. Het is boek, boek, boek in huize Arts.  En titel. Die heb ik dus ook nog niet. We hebben al vaag iets als ‘blues d’Auvergne’ bedacht, maar ik ben er nog niet van overtuigd.

En dan gebeurt het, m’n arm begint te tintelen. Ik voel het wel maar negeer het, maar in een paar uur gaat het steeds meer dreinen,  een vervelend gevoel.
De volgende dag komen er nog steken in m’n onderarm bij en een enorm gevoel van zwaarte. En dan gaat het snel. De pezen op m’n handen en onderarm voel ik bewegen en branden, ook boven op m’n schouder brandt het, het is alles behalve prettig.
Ik kan het ook niet meer negeren, het is pijnlijk en het leidt enorm af, zo kan ik niet schrijven.
Ojee, denk ik in paniek. Dit zal toch geen RSI zijn? Na wat zoeken op internet weet ik het zeker, het is een beginnende RSI.
Een van de redenen is overbelasting door overmatig gebruik van de computer en geestelijk spelen zaken als stress zoals ‘een deadline’ ook vaak een grote rol.
Het zal niet waar wezen! Denk ik schamper, Lies hoe cliché kun je zijn, heb jij ook eens een deadline!
Hoe is het mogelijk, ik zit al jaren ontzettend veel achter de pc te typen, nooit een probleem.
Noem het een deadline en het gaat mis.
Maar ondanks dat ik dit dus echt niet bij mezelf vind passen, heb ik het dus wel.

“Henk, ik heb een RSI arm,” zeg ik paniekerig als ik beneden kom, “oh en m’n boek is nog steeds niet af! Wat moet ik doen? Ik zit ook niet goed, m’n tafel is veel te hoog.”
Samen bedenken we dat het misschien beter gaat als ik met een laptop op schoot werk, dan hangen m’n armen naar beneden. Bijkomend voordeel is dan ook dat ik lekker buiten kan werken.
Zorgzaam als hij is haalt Henk de laptop naar buiten, legt een stroomdraadje aan en zo word ik vorstelijk met laptop en broodplank op schoot in de tuin geïnstalleerd.
En, het helpt. Ik voel direct dat mijn armen en handen ontlast worden.
Een week zit ik al zo te typen, soms buiten, soms binnen en ik merk dat de klachten verminderen. Ook vordert mijn verhaal waardoor ik er vertrouwen in heb dat het manuscript op tijd af komt. Henk is inmiddels aan het muziekstuk begonnen. Net als in m’n eerste boek zal hij een muzikaal voorwoord schrijven.
De titel heb ik ook gevonden, het einde komt nu echt in zicht, nog twee dagen werken en dan is mijn boek klaar schat ik in.
Ook m’n arm gaat beter en ik kan ook alweer enkele uurtjes achter m’n eigen bureau zitten. Dat werkt toch het fijnste.
De telefoon gaat. Het is Thierry, hij heeft goed nieuws; de workshop gaat door!
En terwijl ik enthousiast reageer dat dit geweldig is, voel ik de moed zo weer in m’n arm zakken.